Een modelburger in de dop

Het dagboek van Otto van Eck (1791-1797). Uitgegeven door Arianne Baggerman en Rudolf Dekker met medewerking van Jeroen Blaak. Verloren, Egodocumenten deel 12, 299 blz. 49,-

Gefascineerd keek de twaalfjarige Otto van Eck (1780-1798) op zaterdag 23 februari 1793 naar de bedrijvigheid van de schepen en karren voor het huis van zijn oom Paulus in de havenstad, waar hij op dat moment logeerde. 'Het is in Rotterdam zo leevendig en plaisierig, dat ik vanmorgen terwijl ik ontbeet wat voor de glasramen ging staan', schrijft hij in zijn dagboek. Otto had zich voorgenomen, zo blijkt uit zijn aantekeningen, na het ontbijt zijn huiswerk te maken. Maar 's avonds noteerde hij dat het plezier van het havengezicht sterker was dan de stem van zijn geweten, 'het mannetje van binnen'. Moeder Van Eck sprak haar zoon ernstig toe over dit verzuim en Otto kon niets anders dan zijn ongelijk bekennen en beloven dat hij zich 'niet weder zoo door de vermaken [zou] laten wegslepen'.

De reeks Egodocumenten, waarin zeventiende-, achttiende en negentiende-eeuwse autobiografieen, dagboeken, brieven, reisjournalen en dergelijke verschijnen, is verrijkt met een bijzonder document. In de regel zijn het volwassenen die hun dagelijkse beslommeringen en zieleroerselen aan het papier toevertrouwen of aan het eind van hun leven in een autobiografie de balans opmaken. Het dagboek van Otto van Eck daarentegen is geschreven door een kinderhand en dat is zeer bijzonder en verheugend: dit egodocument maakt het mogelijk inzicht te krijgen in de dagelijkse leefwereld van een kind uit het laatste decennium van de achttiende eeuw.

Otto van Eck, oudste zoon van een hoge Haagse ambtenaar, zag het levenslicht in een periode waarin opvoeding een belangrijk maatschappelijk vraagstuk was. Binnen de pedagogiek van die tijd werd een kind bij de geboorte beschouwd als een onbeschreven blad, op wiens bewustzijn nog geen invloeden van buitenaf werkzaam zijn geweest. Waarden als liefdadigheid, edelmoedigheid, ijver en zelfbeheersing konden via een goede opvoeding worden bijgebracht. Pedagogen adviseerden ouders actief in te grijpen als een kind ook maar een haarbreedte dreigde te ontsporen. Ook voor mr. Lambert Engelbert van Eck (1754-1803) en zijn echtgenote Charlotte Amelie Vockestaert (1759-1824) waren de pedagogische Verlichtingsideeen heilig. Uit Otto's dagboek valt af te leiden dat zij de handel en wandel van hun kroost nauwgezet in de gaten hielden en ingrepen wanneer de opvoeding niet volgens het boekje verliep.

Het slaafs navolgen van de toentertijd vigerende pedagogische opvattingen is er de oorzaak van dat Het dagboek van Otto van Eck niet beschouwd kan worden als een journal intime, waaraan zoonlief zijn geheimen toevertrouwde. Het bijhouden van het dagboek was een belangrijk onderdeel van Otto's opvoeding. Zijn ouders schreven hem voor dat hij niet alleen zijn leren en spelen noteerde, maar dat hij ook zijn zedelijk gedrag, de driften die hem beheersten en de misslagen waaraan hij zich schuldig maakte moest aanhalen. Daarbij komt nog dat het dagboek publiek bezit was: volwassen familieleden, vrienden en de dominee konden er kennis van nemen.

Die openbaarheid en het opgelegde karakter ervan zijn de haken en ogen aan dit kinderdagboek. Zijn ouders wilden inzicht krijgen in de ontwikkeling van hun zoon als morele persoonlijkheid, en Otto schreef wat van hem werd verlangd. Zodoende geeft dit journaal wel een goed beeld van een opvoeding volgens Verlichtingsidealen. Daarnaast is het van grote betekenis voor de kennis van de kinderwereld binnen een achttiende-eeuwse Nederlandse elitefamilie.

Op papier presenteerde Otto zichzelf dikwijls als een modelkind, een ideale burger in de dop. Zijn dagelijkse lectuur bestond uit de gewenste, pedagogisch verantwoorde kinderwerken, zoals De kleine Grandison of de gehoorzame zoon (1782) en het uit het Duits vertaalde Voorbeelden van wijsheid en deugd, uit de geschiedenissen, met vermaaningen voor kinderen (1786). Eens viel hem onvoorzien na het avondeten een 'aerdig boekje' in handen, waardoor hij zo geboeid raakte, dat hij zijn huiswerk vergat. Schrijver en titel werden niet genoteerd. Was hier sprake van verboden lectuur?

Het onderwijs dat Otto ontving, door huisleraren, is op de voet te volgen. Op elfjarige leeftijd sprak en schreef hij Frans, wat later volgde hij lessen Duits, Frans en Engels. Aan huis kreeg hij dans-, piano- en tekenlessen. Standsbewustzijn werd hem door zijn vader bijgebracht. Op 2 september 1794 noteerde Otto: 'Onder 't theedrinken een breedvoerige conversatie met Papa gehad over de gevolgen van te groote familiariteit met de booien (dienstboden) en de gevaren om ongevoelig hunnen gebreken van lompheid in manieren en uitdrukkingen, hunnen driften en ondeugden van hun over te neemen.'

De praktijk van het gezinsleven is een bijna dagelijks terugkerend onderwerp. Kerkgang, familiebezoek, geboorte en sterfgevallen, alles werd nauwkeurig bijgehouden. Tijdens de zomermaanden woonde de Haagse familie op het landgoed De Ruit bij Delft. Otto speelde er met de geit, plaagde zijn zusjes, ging vissen, verzorgde zijn vogeltjes en reed met veel plezier op zijn paardje. Soms was hij onvoorzichtig, zoals die keer dat hij met een geladen pistool, waarmee zijn vader kort te voren op mussen had geschoten, in huis rondzwaaide. Ziekte en dood zijn regelmatig terugkerende dagboekaantekeningen. Otto was zich sterk bewust van de vergankelijkheid van het bestaan. Het dagboek stopt op 20 november 1797: 'Gister om mijn zwaere verkoudheid niet in de kerk geweest.' Uit de door zijn vader opgestelde sterfbedbeschrijving wordt duidelijk dat de zeventienjarige Otto op 30 maart 1798 bezweek aan de gevolgen van een 'inflammatoire verkoudheid'. De bedroefde ouders Van Eck begroeven op Scheveningen een voorbeeldige zoon: 'Hij was van eenen zeldsamen inborst, door zijne vrolijkheid en goede zeden bemind.'