Colijn beval op Lombok executie vrouwen, kinderen

AMSTERDAM, 15 APRIL. Hendrikus Colijn, in de jaren twintig en dertig minister-president, is als 25-jarige bevelvoerende officier in 1894 verantwoordelijk geweest voor de executie van Balinese vrouwen en kinderen door zijn Ambonese soldaten. Dat gebeurde na afloop van de aanval op Tjakra Negara, een paleiscomplex op het Indonesische eiland Lombok.

Dit vermeldt de historicus Herman Langeveld in het eerste deel van zijn biografie Hendrikus Colijn 1869-1944. Dit leven van krachtig handelen (uitgeverij Balans), die vandaag is verschenen.

Langeveld ontleent het feit aan twee brieven van Colijn aan respectievelijk zijn vrouw en zijn ouders. Twee eerdere biografen (de historici Van Reest in de jaren dertig en Puchinger in de jaren zestig) hebben hier nooit melding van gemaakt.

In 1894 nam Colijn deel aan een tweede militaire expeditie tegen een Balinese vorst op Lombok, nadat de koloniale strijdmacht in de eerste was verslagen. Tijdens de aanval leidde hij een eenheid Ambonezen.

Volgens Balinees gebruik namen ook de vrouwen deel aan de verdediging. Toen zijn eenheid het paleis had veroverd, stuitten de soldaten op vrouwen en kinderen die om genade smeekten. Ze werden desondanks gedood.

In de brief aan zijn vrouw, de meest openhartige, beschrijft Colijn hoe een vrouw met een klein kind op de linkerarm en een lange lans in de andere op zijn eenheid afstormde. Moeder en kind werden door geweervuur gedood. ,,We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.''

In de brief aan zijn ouders schrijft Colijn over jonge, schone vrouwen die met zuigelingen op de arm meestreden en van de daken stukken lood wierpen. ,,Gelukkig stonden mijn dappere Amboneezen als een muur. Na den 8en aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof 13. De soldaten keken mij vragend aan. Een 30-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide, waren ook die 13 dood.''

De tweede expeditie naar Lombok eindigde met een overwinning. Een aantal militairen, onder wie Colijn, kreeg het ridderkruis van de Militaire Willemsorde. Tot in de jaren dertig mochten Lombokstrijders paraderen voor koningin Wilhelmina, die hen tot de heldhaftige Nederlanders rekende.

Pagina 2: 'Gevolg verzuilde achtergrond'

Volgens Langeveld hebben ook de vroegere biografen van Colijn, R. van Geest en G. Puchinger deze passages wel gelezen maar er geen melding van gemaakt ,,kennelijk om het verheerlijkend karakter van hun werken niet in gevaar te brengen''.

De historicus dr. J.C.H. Blom, directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie, is daarover ,,enigszins verbaasd''. Weliswaar was al bekend dat Colijn ,,binnen het KNIL behoorde tot de officieren die uitblonken door hun hardheid'', maar de tekst van de brieven ,,is een opvallend gegeven dat je als auteur niet gauw laat liggen''. Volgens Blom hebben ze dat nagelaten door hun verzuilde achtergrond. ,,Het was geen bewuste manipulatie, maar hun focus was een hele andere.''

Dr. G.J. Schutte, hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit, nuanceert deze verklaring. Volgens Schutte is de omissie niet alleen aan het verzuilde karakter van de geschiedschrijving te wijten. Het ligt ook aan de visie van deze auteurs op Colijn. ,,Het kan zijn dat Puchinger, after all een behoudend man, dacht: als ik dit meld, wordt het verhaal over Colijn onevenwichtig'' , aldus Schutte. Dat zegt volgens hem meer over Puchinger dan over de VU. ,,Aan de VU werd Colijn in de jaren zestig niet meer bewierrookt. Puchinger is ook nooit werkzaam geweest aan de historische faculteit van de Vrije Universiteit. Misschien is dat niet toevallig. Voor de historici aan de VU is hij nooit aanvaardbaar geweest.''. Onder economen was het beeld van Colijn, mede onder invloed van AR-leider dr. J. Zijlstra, al eerder gekanteld. De historici aan de VU volgden in de jaren zestig. Bovendien is ,,onze gevoeligheid voor geweld de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen en onze gevoeligheid voor de werkelijk van de oorlog afgenomen. Wat Colijn in 1894 deed, wordt nu daarom als een doodzonde gezien'', aldus Schutte.

Van Reest is inmiddels overleden en Puchinger (77) is door ziekte niet meer aanspreekbaar.