Verslaafd aan wind

De kriebel zit in het bloed. De onrust groeit. De bomen voor zijn huis buigen zich krom voor de gierende wind. De verslaafde pakt zijn surfspullen. Hij moet gaan. Hij gunt zich nauwelijks de tijd om rafelige touwtjes te vervangen. Hij heeft haast. Een mooie wind duurt niet eeuwig. Zenuwachtig is hij. Op vlak water bij windkracht zeven gaat alles goed. Hij vliegt heen en weer van oever naar oever. Maar vlak water is voor beginners en ouwe knarren. Hij wil naar zee. Dat is het echte werk. De zee roept hem met de kracht van een oermoeder.

Windsurfen op zee is een mengeling van motorcross, skiën en extreem zeilen. Nauwelijks vijftig centimeter van de surfplank raakt het wateroppervlak. Je bent voortdurend in plané. Het lichaam hangt als tegenwicht in balans aan de giek. Je stuurt de voortijlende plank met je voeten. De machtige motor van het zeil is in je handen.

Met die simpele middelen scheer je met een snelheid van tussen de vijftig en zeventig kilometer over een deinend heuvellandschap van grauw water, dat begint bij de kust en eindigt aan de horizon. In die waterwoestenij ben je heer en meester. Het enige geluid is het sissende hekwater dat onder je plank wegspuit. De kick van snelheid is verslavend.

Windsurfers zijn meestal tussen de 16 en 30 jaar oud. Maar er schuilen ook oudere jongeren onder hen. Die doen het wat rustiger aan. Jonge surfers slaken soms vreugdekreten op het water. Het is niet helemaal duidelijk of ze dan een orgasme beleven. Je vraagt er niet naar. Maar het klinkt wel zo.

Soms botsen de generaties. Sommige jongeren zijn wild en roekeloos. Ze springen als geiten. Ze vliegen uit het water omhoog alsof ze vogels zijn met één vleugel. Dat gaat niet altijd goed.

Mijn vriend van veertig lag te dweilen achter een steile branding. Hij was bezig zijn zeil naar de wind te zwemmen voor een waterstart, toen hij boven zich plotseling zo'n jonge gast ontwaarde die als een aangeschoten vogel neerstortte in de golven. Zijn plankje boorde zich dwars door het zeil. Mijn vriend was verbijsterd. Zijn mooie zeil aan flarden! “Het is gelukt!” schreeuwde de springer toen hij boven kwam, “het is gelukt!”

Windsurfen is een veilige sport. Maar als je verder springt dan je polsstok lang is, straft de zee je ongenadig. Er zijn ook een paar regels. Als je denkt: Ik ga nog één keer, moet je stoppen. Die laatste keer gaat soms fout. En als het dan fout gaat, blijft het fout gaan en is er regel nummer twee: nooit in paniek raken, want paniek op zee is al heel snel dodelijk. Blijf bij je plank. De zee is ongenadig. Als je een fout maakt, materiaal breekt of domweg niet weet waar je mee bezig bent, kan ze je behoorlijk te pakken nemen.

Nu wandelen er mensen aan het strand die uit hobby naar surfers kijken. Zien ze er een die valt in die vervelende keerstroom aan de kop van een golfbreker. Kunnen ze eindelijk iets doen. Daar is een medemens in nood! Daar drijft een medemens hulpeloos in de rondte.

De andere windsurfers kijken niet eens. Die vent heeft gewoon pech. Eigen schuld. Aan de kop van een golfbreker maalt het water door de tijstroom vrolijk in de rondte. Iedereen weet dat. De surfer die zo stom was om daar te vallen, draait gewoon mee. Hij probeert van alles. Hij komt niet weg. Het lukt niet.

De wandelaar die dat machteloos moet aanzien denkt: Die vent is in nood, er moet wat gebeuren! Hij rent een stukje de pier op, hoort de surfer roepen, weet het dan zeker, rent weer terug. Rent op het strand heen en weer, weet eigenlijk niet wat hij moet doen.

Iemand zomaar laten verzuipen? Dat nooit! Hij ziet mij staan. Ik sta klaar voor de start. Ja, ik heb die surfer ook wel gezien toen ik uit zee kwam, maar wat kan ik doen? Naast hem gaan liggen en samen in de rondte draaien?

Komt die wandelaar weer naar me toe. “Jezus Christus man”, schreeuwt hij, “zie je dan niet dat die man in nood is? Waarom doe je niks?”

Beleefdheidshalve kijk ik even naar de surfer die almaar in de rondte draait. “Wat moet ik doen?”

“Ga hulp halen man!”

Ik haal mijn schouders op, stap op mijn plank en vlieg door de branding, scheer door de stilte van de eindeloze waterwoestijn heerlijk naar de horizon. Kom ik terug, staat-ie er nog. Ook de surfer draait nog steeds in de rondte. Hij roept niet alleen, hij fluit nu ook. Daar komt de wandelaar weer. Ik word zenuwachtig van die man.

“Wat zijn jullie voor sportmensen”, roept hij, “dat je die man niet helpt!”

“De reddingboot ligt in de loods”, zeg ik.

“Dan haal je hem er gvd uit!” schreeuwt de wandelaar. Om van het gezeur af te zijn loop ik naar de loods. Gesloten, natuurlijk, het is avond, maar omdat de wandelaar staat te wachten, loop ik naar het restaurant, misschien is daar iemand. Zie ik daar Karel zitten, hij praat met Frenk, over surfplanken natuurlijk. Nee, ze hebben geen sleutel van de loods. Ik wijs hen door het raam op de man in nood. Zegt Karel: hij is niet in nood, die redt het wel, hij komt er wel uit, hij komt altijd wel aan het strand, is het niet hier dan is het wel in Den Helder. En meteen praat hij weer verder tegen Frenk over planken. Ze laten me gewoon staan. Als surfer word je lakoniek.

Natuurlijk kwam die man eruit. Op een gegeven moment kwam er een aasje meer wind zodat hij kon waterstarten, toevallig lag z'n plank goed, en ik zag hem even later uitgeput op handen en voeten het strand opkruipen. Totaal uitgeput. Dus er was niks aan de hand.

Wat Frenk overkwam was minder. Die ging 's avonds een nieuw plankje proberen. Frenk ging altijd ver. Ver op zee probeerde hij hoe het plankje sprong. Dat was stom. Hij kwam ongelukkig neer, brak zijn enkel en verloor zijn plank.

Aan de kust werd Frenk gemist. Boot de zee op, vond zijn plank en zeil. Frenk spoorloos. Altijd een slecht teken als je alleen een plank vind. Helikopter de lucht in om Frenk te zoeken. Vond ook niks. Iedereen in mineur omdat Frenk was verzopen.

Kwam hij midden in de nacht het strand opkruipen. Met zijn botbreuk lag hij voor apegapen op het strand. Hij werd gevonden door een nachtelijke wandelaar, die dacht dat het een dooie zeehond was.