Rekenkamer laakt beursgang KPN; Kok informeerde Kamer niet juist

DEN HAAG, 31 MAART. Premier Kok heeft in 1993 als minister van Financiën de Tweede Kamer “niet geheel juist” geïnformeerd rondom de verzelfstandiging van Koninklijke PTT Nederland (KPN). Volgens de Algemene Rekenkamer heeft Kok vijf jaar geleden een afspraak gemaakt met Koninklijke PTT Nederland die de schatkist 1,1 miljard gulden heeft gekost.

Kok hield de Kamer voor dat dit nadeel 300 miljoen zou zijn. Dit concludeert de Rekenkamer in het rapport 'Financiële aspecten van verzelfstandiging' dat vandaag is verschenen. De overeenkomst maakte deel uit van de beursgang van het bedrijf, waarbij een deel van de aandelen KPN overging van de staat naar de markt.

De afspraak bestond eruit dat KPN zou afzien van het recht dat het post- en telecombedrijf had op teruggave van btw. Als particulier bedrijf werd KPN btw-plichtig. Van klanten ontvangen btw zou KPN in zijn geheel (zonder verrekening met zelf betaalde btw) moeten betalen aan Financiën. In ruil voor dit voordeel voor de staat zette toenmalig minister van Financiën Kok een lening van 1,9 miljard gulden aan KPN om in aandelen in dit bedrijf. Dit was gunstig voor KPN, dat een lening kwijtgescholden zag waardoor de financiële positie verbeterde.

Deze meevaller blijkt evenwel aanzienlijk gunstiger dan Kok in 1993 voorzag. Zo berekent de Rekenkamer dat het vermogen van KPN als gevolg van de overeenkomst is toegenomen met 200 miljoen gulden. Verder is de solvabiliteit gestegen met vier procentpunt. Voor de periode 1994-2004 wordt een extra winststijging voorzien van zo'n 440 miljoen door lagere rente-uitgaven.

Door de gunstige afspraak met het rijk maakt de onderneming meer winst, waardoor het bedrijf meer vennootschapsbelasting zou moeten betalen dan in de afspraken van 1993 was overeengekomen. Het KPN-voordeel, dat voor het rijk een nadeel is, zal volgens de Rekenkamer “in directe zin tot en met 2004 per saldo niet sterk afwijken van het (...) bedrag van f 1.100 miljoen”.

In de Miljoenennota 1994 schetste minister Kok de financiële gevolgen van de btw-invoering. Hij beperkte zich evenwel tot de periode 1994-1998. “De nadelige gevolgen van de afspraken voor de rijksbegroting in directe zin treden evenwel vooral na 1999 op. Daarvan werd geen melding gemaakt”, aldus de Rekenkamer.

In reactie op de bevindingen van de Rekenkamer schrijft Koks opvolger Zalm “dat iedere berekening alleen maar gebaseerd kon zijn op betrekkelijk arbitraire uitgangspunten, omdat er allerlei indirecte effecten optraden die niet alle in de beschouwingen konden worden meegenomen”. De Rekenkamer is het niet eens met deze opvatting - de effecten waren “zeer wel voorzienbaar”.