Rekenkamer kritiseert: Overheid niet wijzer van privatisering

DEN HAAG, 31 MAART. Ambtenaren en politici trekken onvoldoende lering uit ervaringen met verzelfstandigingen van overheidsbedrijven zoals de Postbank, de Staatsuitgeverij en Koninklijke PTT Nederland (KPN). Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in het vandaag verschenen rapport 'Financiële aspecten van verzelfstandiging'.

Volgens de controleur van de rijksfinanciën hanteren politici bij de verzelfstandigingen van overheidsbedrijven dezelfde argumenten die ertoe leiden dat niets geleerd wordt van eerdere ervaringen. Bewindspersonen zijn volgens de Rekenkamer regelmatig van mening dat bij verzelfstandigingen sprake is van unieke operaties waarbij geen volledige beleidsinformatie aanwezig is en een eenduidige bepaling vooraf van einddoelen nauwelijks mogelijk is. Daardoor ontstaat volgens de Rekenkamer een “lappendeken van afspraken, regelingen en wijzen van financiële afdekking”.

Een voorbeeld van gebrekkige coördinatie en structuur rond een verzelfstandigingsproces is volgens de Rekenkamer de wijze waarop de prijs van het aandeel KPN tot stand is gekomen bij de beursgang van het bedrijf in 1994. De ministers van Financiën en Verkeer en Waterstaat in het vorige kabinet, Kok en Maij Weggen, wisten wel wat beleggers bereid waren te betalen voor een aandeel KPN, maar hadden geen zicht op de werkelijke waarde van het toen nog 100 procents-staatsbedrijf KPN. “Daarmee konden de ministers niet goed beoordelen in hoeverre de prijs die de beleggers wilden betalen acceptabel was voor de Staat als eigenaar van het bedrijf”, schrijft de Rekenkamer in het rapport.

Verder heeft de Rekenkamer inzake de staatssteunverlening aan grote ondernemingen dezelfde kritiek op bewindspersonen als in het verleden al werd geventileerd. Toen bleek steeds weer dat dezelfde fouten werden gemaakt als de overheid steun verleende. Zo gaven bewindslieden zich keer op keer geen rekenschap van de veronderstelde werkgelegenheidseffecten van staatssteunoperaties.

In een tweede rapport schrijft de Rekenkamer dat het toezicht op publieke taken die de overheid zelf niet uitvoert, rammelt. Dat toezicht verschilt op dit moment bijna van instelling tot instelling. Er moet meer samenhang en onderlinge afstemming in komen, vindt de Algemene Rekenkamer.

Over het toezicht op instellingen als bij voorbeeld de omroepen, woningcorporaties en uitvoerders van de sociale zekerheid heeft de Rekenkamer gisteren een rapport naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarbij gaat het onder andere om de onafhankelijkheid van het toezicht, de kwesties waarop toezicht wordt uitgeoefend en de manier waarop het toezicht wettelijk is geregeld.

Als belangrijkste probleem ziet de Rekenkamer dat de instellingen verschillend denken over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid voor hun activiteiten. Daarmee blijft volgens de Rekenkamer ook onduidelijk in hoeverre het parlement die instellingen moeten kunnen controleren.

De Rekenkamer baseert zijn conclusies op een reeks onderzoeken die in de afgelopen drie jaar naar toezicht op instellingen met een publieke taak zijn verricht.