Opec-kartel wordt een tandeloze tijger

De olieministers van het Opec-kartel hebben gisteravond in Wenen hun beloften voor vermindering van de productie geformaliseerd. Ze volgen hiermee een initiatief dat twee weken geleden buiten Opec om genomen werd. 'Te weinig en te laat' is de reactie van de markt.

ROTTERDAM, 31 MAART. Ruim zeven uur deden tien olieministers van Opec, de Organisatie van olie-exporterende landen, er gisteren in Wenen over om tot een weinig verrassend akkoord te komen: vermindering van hun gezamenlijke dagproductie met 1,245 miljoen vaten olie per dag met ingang van morgen, 1 april.

Alleen Irak, het op één na rijkste olieland van het kartel, was niet door zijn minister maar met een ambtelijke delegatie vertegenwoordigd. Dit land gaat de komende maanden juist belangrijk méér olie op de markt brengen omdat het overeenstemming heeft bereikt met de Verenigde Naties over de 'olie-voor-voedsel' overeenkomst. Meer export, als uitzondering op de strafsancties tegen Saddam Hussein, moet het enorme tekort aan voedsel en medicijnen onder de 22 miljoen Irakezen opheffen. Hoe lager de olieprijs, hoe meer Iraakse olie er naar de Westerse markten zal vloeien.

Zo zijn er meer factoren die het Opec-besluit tot een mager resultaat bestempelen. De internationale oliemarkt hoopte op een ruimere beperking van de olie-aanvoer, nu de vraag in het tweede kwartaal daalt door hogere temperaturen (minder verbruik van huisbrandolie). De voorraden zijn zo hoog dat er in Rotterdam praktisch geen lege opslagtank meer te vinden is. De vloot volle tankers die aan de zuidkant van de Perzische Golf, de Rode Zee en bij Gibraltar ligt te wachten is ongekend groot en de vooruitzichten voor meer productie in nieuwe velden (de Kaspische Zee en Rusland, om er een paar te noemen) zijn goed.

Opec is met dit besluit een oude tijger geworden die zijn tanden verliest. Het kartel is in september 1960 in Bagdad opgericht om de machtspositie van de internationale oliemaatschappijen - die de prijs laag hielden - te breken. In 1987 bleek het instrument van prijsbeheersing niet meer te werken en werd overgeschakeld op productiebeheersing. Maar dat wapen is intussen ook bot geworden want individuele lidstaten overtreden bij herhaling de vastgestelde quota in hun onderlinge strijd om het marktaandeel.

Ook na het akkoord van gisteravond blijft dat gelden voor Venezuela, Nigeria en Qatar. Die landen blijven, ondanks hun bijdrage in de productievermindering, meer olie op de markt brengen dan in november jongstleden werd afgesproken. Toen verhoogde Opec op sterke aandrang van Saoedi-Arabië het gezamenlijke productieplafond met 10 procent tot 27,5 miljoen vaten per dag, een besluit waar menige olieminister nu spijt van heeft.

In hun spoedvergadering hebben de ministers niet meer bereikt dan een formalisering van wat zondag een week geleden in de Saoedische hoofdstad Riad op initiatief van Saoedi-Arabië, Venezuela en Mexico in gang was gezet, geheel buiten Opec om. Maar de doelstelling van deze troika, een totale reductie met 1,6 tot 2 miljoen vaten per dag, is niet gehaald. Vijf niet-Opeclanden hebben in totaal een magere 270.000 vaten bijgedragen, maar Rusland, Maleisië, Brunei en een aantal kleinere producenten weigerden. Opec had dat kunnen compenseren door zelf een grotere reductie overeen te komen, maar is daartoe niet in staat gebleken.

Het Internationaal Energie Agentschap raamt de behoefte aan Opec-olie in het komende kwartaal op 25,3 miljoen vaten per dag terwijl de productie nu gaat uitkomen op 27,605 miljoen vaten, exclusief het extra aanbod van Irak. De olievloed is dus allerminst gekeerd.

Opec slaagt er niet in haar belangrijkste doelstelling, evenwicht tussen aanbod en vraag en daardoor redelijke prijzen voor alle partijen, te halen. Bij de aanhoudend lage prijzen die nu te voorzien zijn, zullen allereerst de Opec-lidstaten zelf de dupe worden. Ze hebben in het eerste kwartaal al een inkomstenverlies van 15 miljard dollar geleden.

Automobilisten in de Westerse consumptielanden kunnen juichen, want de benzineprijs zal dalen. Vanochtend ging de prijs voor ruwe olie in Londen en New York al omlaag. Maar voor de oliemaatschappijen is het akkoord van Wenen geen stimulans: de kosten voor een aantal projecten in de olie- en gaswinning wegen niet meer op tegen de opbrengsten. In de Verenigde Staten - vooral in Texas - en op de Noordzee zullen 'marginale' velden (kleine voorraden die tegen relatief hoge kosten worden geëxploiteerd) worden gesloten.

Bovendien heeft de overvloed van olie die de prijzen voor motorbrandstoffen en aardgas omlaag haalt, een sterk negatieve invloed op de energiebesparing en de ontwikkeling van 'duurzame' energiebronnen: zon, wind, waterkracht, biomassa etc. Het beleid van overheden om dit te stimuleren en minder afhankelijk te worden van de fossiele brandstoffen die bij verbranding het broeikasgas CO veroorzaken, wordt ermee doorkruist.

Toch kwam er gisteravond uit Parijs nog een buitengewoon kritische reactie van het Internationaal Energie Agentschap op de bijdrage die lidstaat Noorwegen levert aan de productievermindering. Robert Priddle, directeur van het IEA, “betreurt” het besluit van de Noorse regering om zich door Opec op sleeptouw te laten nemen. De Noren besloten afgelopen weekeinde hun olieproductie met 100.000 vaten (circa 3 procent) terug te brengen omdat ook zij belang heeft bij een redelijke opbrengstprijs.

Maar dat past niet in de “vrije en open markt” die het agentschap al sinds zijn oprichting in 1974 nastreeft, zegt Priddle in zijn schrobbering van de Noren. Het IEA werd op initiatief van Henry Kissinger gevormd na de olieboycot van de Verenigde Staten en Nederland door de Arabieren. Net als Kissinger moet Priddle niet hebben van vrijages met een kartel.