Lo Brunt

Terwijl ik de huidige KNVB-bestuurders niet zo goed meer ken - de leeftijdsverschillen hebben ons uit elkaar gedreven - rijst het beeld van sommige bobo's uit het verleden af en toe nog voor mij op.

Karel Lotsy bijvoorbeeld zal ik mij altijd blijven herinneren als de man die mijn zorgvuldig gefabriceerd interview voor 100 procent ondeugdelijk verklaarde en er in de kantlijn een (nooit gehouden) gesprek vol nieuwe, vervangende onderwerpen voor in de plaats creëerde. De man tevens die sommige van zijn speeches thuis voor de spiegel instudeerde, wat een vroegere sportredacteur van deze krant in hoge staat van verontwaardiging bracht, want Barend Schilperoort haatte alles wat op gekunsteld theater leek.

Toch lagen de vaardigheden van Lotsy ongetwijfeld in het verbale. Het is niet waar dat alle spelers van het Nederlands elftal door Lotsy's mentale opstekers tot tranen toe geroerd werden, maar dat sommige ogen vochtig werden, is menigmaal vastgesteld.

Een KNVB-man die mij in die naoorlogse jaren beter beviel, was Lo Brunt. Hij is een flink aantal jaren secretaris-penningmeester geweest. Een tot uitbundigheid neigende man, die voldoende zakelijke inslag had om de steeds groter en internationaler wordende sportbond met flair en humor te leiden. Brunt hield daarbij goed in het oog dat hij de voorzitter die boven hem stond, Toon Schröder, voldoende aan diens trekken liet komen om hem het idee te geven dat hij de bond leidde. Maar het was voornamelijk Brunt die aan de touwtjes trok.

Schröder was directeur van een fabriek in Brabant waar onder meer zeemleren lappen werden gefabriceerd. Omdat hij een hartelijke man was, wachtte hij bij een afspraak de bezoeker op met zo'n stuk zeemleer in de hand. Hij was ook een plooibaar man. Eens, toen Studio Sport hem had gevraagd om ter gelegenheid van de jaarwisseling een interview toe te staan, vroeg hij de interviewer of het verhaal positief of negatief van inhoud moest zijn. “Uw eigen mening graag”, was het antwoord. Je kon alle kanten met Schröder uit.

Dan was er de kleine pijproker Lou Boeljon, hoofdconsul en veelvuldig begeleider van het Nederlandse elftal. In de oertijd, toen voetbalvelden niet altijd gladgeschoren weilanden waren, heeft Boeljon eens een terrein namens de bond goedgekeurd, hoewel er in de middencirkel een boom stond. In zijn spoor vertoefde vaak de voorganger van Brunt als secretaris-penningmeester, Tonny Staal. Een functionaris die in de eerste plaats meewerkte en niet zozeer leiding gaf. In het bondsbureau in de Haagse Van der Spiegelstraat zat Staal aan een lange vergadertafel, die met een deftig groen kleed was bedekt, en schreef en schreef. Dat heb ik Brunt nooit zien doen.

Brunts overlijden op 64-jarige leeftijd was tragisch. Hersteld van een hartaandoening, gestopt met roken en jenever, leek hij er weer jaren tegen te kunnen. Maar toen zijn auto ergens vastliep in een hoop zand langs de weg en hij het vehikel een zetje wilde geven, zakte hij in elkaar en stierf. Net in die periode volgde Wim Meuleman Toon Schröder als bondsvoorzitter op. Brunt zou hem in zijn nieuwe functie hebben ingewerkt.

De jaren vijftig was nog de tijd waarin autoriteiten zichzelf nog niet voortdurend moesten bewijzen om erkend te worden. Lo Brunt heeft eens de Ajacied Ko Prins een uitbrander gegeven omdat hij zich in een interland in Praag had misdragen. Prins, die gewoonlijk zijn bekje zeer goed roerde, viel volledig stil. Tegenwoordig zou de correctie van de coach moeten zijn gekomen, maar Brunt was een van de laatste officials die zich (soms) overal mee bemoeide. Dat kon ook, omdat hij een dominante persoonlijkheid was.