In Kalimantan vluchten de dieren

De opnieuw opgelaaide bosbranden op Borneo lopen uit op een ecologische ramp. Mens en dier zoeken een goed heenkomen.

BALIKPAPAN, 31 MAART. Een geur van rook hangt tussen de bomen. Vanaf het pad dat door het Sungai Wain-reservaat kronkelt is het geraas te horen van herten, varkens en andere dieren die wegvluchten door de stapels dorre bladeren. Ook klinkt soms het woeste gebrul van beren, die proberen te ontsnappen aan de oprukkende vuurzee.

Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo, brandt weer. Of beter gezegd: de bossen staan nog steeds in brand. Vorig jaar werd een groot deel van de Zuidoost-Aziatische regio overdekt door een verstikkende laag smog, het gevolg van talrijke bosbranden op Borneo en Sumatra. Duizenden mensen in Indonesië, Maleisië en Singapore moesten met ademhalingsmoeilijkheden worden opgenomen in ziekenhuizen.

Nu, een half jaar later, is de situatie zo mogelijk nog ernstiger. Vanuit het vliegtuig van Jakarta naar Balikpapan waren vorig jaar de talrijke rookpluimen te zien die boven het beboste landschap uitrezen. Deze keer licht op verschillende plekken een rode vuurgloed op. De omvang van de ramp wordt nog duidelijker tijdens een helikoptervlucht, gisteren, boven het gebied tussen Balikpapan en het Sungai Wain-natuurreservaat, zo'n 40 kilometer verderop. Grote delen van de grond zijn al zwart geblakerd, op ongeveer 20 verschillende plekken doet het vuur nog zijn verwoestende werk. De lagere luchtlagen hangen vol roet, dat de onderkant van de wolken bruin doet uitslaan. Alleen al in Oost-Kalimantan is de afgelopen weken volgens bescheiden schattingen ten minste 140.000 hectare land in vlammen opgegaan. Het pad door het Sungai Wain-bos leidt naar een basiskamp, dat behoort tot het Wanariset-opvangcentrum voor orang-oetangs. Maar het kamp zelf, bestaande uit twee aan elkaar gekoppelde houten barakken op palen, blijkt verlaten. Als de nacht is gevallen klinkt plotseling het getik van lange nagels op de ruwe houten vloer en gehijg als van een nieuwsgierige hond die de bezoeker nader wil bestuderen. Bij het zwakke licht van een omhooggehouden olielamp blijkt de hond een kleine zwarte beer te zijn.

De volgende dag legt de Nederlandse biologe Gabriella Frederiksson uit dat ze niet in het kamp aanwezig was omdat ze met haar drie Indonesische assistenten bezig was met het blussen van een grote brand aan de noordkant van het bos.

Pagina 4 'Ik weet niet hoe lang we dit nog volhouden'

De beer in het basiskamp, zo legt biologe Frederiksson uit, was een zogeheten Maleise beer (of honingbeer) die vooral 's nachts actief is in het regenwoud, en die de naam Ganjah heeft gekregen. Ganjah werd vorig jaar in beslaggenomen en Frederiksson en haar staf trainen het dier opdat het kan worden teruggezet in de natuur. “Maar met het hellevuur hier in het bos, zie ik daar voorlopig maar vanaf. Ik houd hem zolang mogelijk bij me maar uiteindelijk moet er een andere oplossing gevonden worden voor deze beer”, zegt Frederiksson.

Vorig jaar zette de bevoking in de Aziatische regio haar hoop op de komst van natte moesson. De wind draaide, het buitenland had geen last meer van de rook. Op het eiland Sumatra regende het overvloedig, zodat de meeste branden, aangestoken door grote plantagebedrijven en kleine boeren om land klaar te maken voor bebouwing, vanzelf doofden.

Op het eiland Borneo echter draaide wel de wind, maar kwam de verwachte regens niet. El Nino, het oceanografisch fenomeen dat verantwoordelijk wordt gehouden voor de droogte, hield aan. Met als gevolg dat de branden de afgelopen twee maanden alleen maar zijn toegenomen, en daarmee de rookvorming. Mensen in bijvoorbeeld Samarinda, de 80 kilometer boven Balikpapan gelegen havenstad, konden de afgelopen weken niet verder dan 15 meter zien. Opnieuw moesten velen zich met ademhalingsmoeilijkheden bij de ziekenhuizen melden.

De kans dat er voor oktober dit jaar nog regen van betekenis zal vallen, is erg klein, en daarmee neemt de kans op een ecologische catastrofe toe. “De ramp die zich in het bos voltrekt, is hier zichtbaar”, legt de biologe Frederiksson uit.

In het deel van het bos bij Balikpapan dat resteert, heerst “overbevolking”, zegt ze. Omdat alleen al in het Sungai Wain reservaat duizenden hectaren bos in vlammen zijn opgegaan, stroomt steeds meer wild samen in het resterende deel van dit bos.

Op het vijf hectare metende terrein zijn inmiddels meer dan 140 orang oetans ondergebracht. Terwijl de apen voorheen alleen afkomstig waren van confiscaties, zijn het de laatste tijd vooral slachtoffers van de branden die binnengebracht worden. Meestal jonge orangs, zoals het piepkleine roodharige aapje dat met een pamper om in een plastic bak in de nursery zit, omdat de moeders op de vlucht zijn geslagen of gedood door dorpelingen toen zij het bos uitkwamen.

Het primatencentrum ontsnapte vurig week aan het vuur dankzij een vier meter hoge muur om het terrein, die eigenlijk is bedoeld om de apen af te schermen van de nieuwsgierige blikken van toeristen.

Gisteren bezocht de nieuwe minister van Bosbouw van Indonesië, ir. Sumahadi, het getroffen gebied, onder meer om een gebedsdienst bij te wonen waarbij het opperwezen gesmeekt werd om regen. Hij kon niet zeggen welke concrete maatregelen de Indonesische regering denkt te nemen om de branden te blussen. In de afgelopen maanden is tevergeefs geprobeerd kunstmatige regens te maken boven het gebied. Twee blusvliegtuigen zouden onderweg zijn, terwijl over zes andere onderhandelingen gaande zijn tussen het ministerie van Bosbouw en de fabrikant.

Duizend brandbestrijders uit Java zijn ingevlogen, vrijwilligers ontplooien initiatieven om de branden te lijf te gaan. Maar plantagebedrijven en kleine boeren gaan door het het bouwrijp maken van land door brand, terwijl het ontbreekt aan een centrale coördinatie van alle inspanningen om het vuur onder controle te krijgen.

Frederiksson: “We zijn al drie weken bijna non stop aan de slag, diep in het bos, waar we ook slapen. De dorpelingen die helpen, raken uitgeput en ziek. Ik weet niet hoe lang wij dit nog volhouden.”