Harry van Wijnen

Niet zomaar een formaliteit

Is het nog wel van deze tijd dat de regering toestemming moet geven voor het huwelijk van een lid van het koninklijk huis, vroeg Paul Witteman op 6 februari in het wekelijkse vraaggesprek van de NOS met de minister-president.

De vraag betrof niet de kroonprins (de 'vermoedelijke troonopvolger', zoals de grondwet hem noemt) of een van zijn broers, maar een bloedverwant van de koning in de derde graad van erfopvolging. De ministerraad had die dag zijn zegen gegeven aan de ontwerp-toestemmingswet voor het huwelijk van prins Maurits met Marie-Hélène Angela van den Broek (waarover de verenigde vergadering van de Eerste en Tweede Kamer zich vanmiddag heeft moeten uitspreken). Premier Kok reageerde eerst een beetje knorrig en in het vervolg van het gesprek vooral ongemakkelijk.

Voor ongemakkelijkheid had de minister-president geen enkele reden gehad wanneer hij zijn ondervrager het dwingend gezag van de grondwet onder ogen had gebracht. Maar de grondwet is Koks fort niet. Hij kwam niet verder dan: “Wij hebben niet voor niks een grondwet.” Ik weet wel, onder het mes van een ondervraging zegt iemand andere dingen dan hij zich voorneemt te zeggen als hij van huis gaat, maar het ging hier om een eenvoudig grondwettelijk voorschrift, dat in 1983 opnieuw is vastgesteld: “De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering” (art. 28 van de grondwet, derde lid). Als Kok dat in gewone spreektaal vertaald had, was niemand daarover gevallen.

Hoewel het ontwerp dus voortvloeide uit een vereiste van de grondwet, was de vraag toch niet zo gek, want het was in 32 jaar niet meer voorgekomen dat de regering een toestemmingswet had ingediend; voor het laatst in 1966, namelijk bij het huwelijk van de ouders van de bruidegom. Witteman sprak er zijn verbazing over uit dat prins Maurits met zijn niet meer dan theoretische kans op troonopvolging niet eens zelf over het aangaan van een huwelijk mocht beslissen, gegeven de tegenwoordige maatschappelijke opvattingen over de ook aan leden van het koninklijk huis toekomende persoonlijke vrijheid. In de juridische wereld, met name in de sector van de mensenrechten, wordt die vraag vooral gesteld in het kader van de strijdigheid tussen het grondwettelijk verankerde recht op privacy en de inbreuken daarop die de staatsplichten voor leden van het koninklijk huis medebrengen.

Premier Kok gaf met zijn antwoord aan dat de staatsrechtelijke materie die aan zo'n zeldzaam wetje vast zit hem niet op het lijf geschreven is. Het was heel normaal, zei hij, dat er (parlementaire) toestemming voor het huwelijk van de prins gevraagd werd, omdat de grondwet het zo wilde. Hoe de grondwet dat voorschrijft en in welke historische context, wilde hem zo te zien niet te binnen schieten, maar die uitleg had er wel bij gemoeten. Hij redde zich met het gelegenheidsantwoord dat het “natuurlijk min of meer (om) een formaliteit” ging, “absoluut niet iets dat schokkend is”. Maar zo simpel is het niet. Als Maurits met een vreemde, carlistische prinses was thuisgekomen (zoals zijn tante Irene in de jaren zestig de regering met een Spaanse carlistische prins verraste), zou Kok wel anders hebben gepiept. In dat geval zou hij de toestemmingswet zeker niet als een formaliteit hebben bestempeld. Hij zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gezegd wat de regering in 1964 zei: dat Irene's carlistische sympathieën niet te verenigen (waren) met de status van troonopvolgster binnen het koninklijk huis, met name omdat het koninklijk huis vrij moest blijven van betrokkenheid bij een binnenlandse politieke beweging (carlisme) in een bevriende mogendheid (Spanje). Op grond van die onverenigbaarheid besloot de regering daarom geen toestemmingswet voor haar huwelijk in te dienen, in de eerste plaats om de constitutionele grenzen opnieuw vast te stellen en niet in de laatste plaats om het carlisme buiten de deur te houden. Daarmee was Irene volgens de grondwet van de erfopvolging uitgesloten en van haar grondwettelijke status vervallen verklaard (artikel 28, tweede lid, volgens de thans geldende tekst van de grondwet: “Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een huwelijk aan buiten bij de wet verleende toestemming, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun kinderen van de erfopvolging uitgesloten.”).

Premier Koks mededeling in eerder genoemd vraaggesprek dat de regering zich buiten de vraag had gehouden “of een aanstaande echtgenoot of echtgenote wel geschikt is” past dan ook niet in het Nederlandse grondwettelijk systeem. Volgens de ongeschreven regels van het staatsrecht kan er, gezien het gewicht van de grondwettelijke implicaties, geen sprake van zijn dat “de betrokkene natuurlijk zelf uitmaakt” (Kok) wie hij kiest, en is de regering wel degelijk partij bij de huwelijkskeuze van een lid van het koninklijk huis.

De antwoorden die de regering heeft gegeven op de vragen van de Kamers zijn niet geschreven voor de leestafel in het koffiehuis, maar ze bevatten één opmerkelijke zin waaruit een zekere toewijding aan democratische traditie en gelijkheidsfilosofie kan worden afgeleid. Op een vraag van de fracties van de PvdA uit beide Kamers antwoordt de regering, dat ze “geen aanleiding heeft gezien” de vraag in overweging te nemen mr. Pieter van Vollenhoven een adellijke titel te verlenen. Jammer voor Pieter, die sinds 1966 (toen de regering de mogelijkheid openliet) met de hoop heeft geleefd dat het er ooit nog eens van zou komen. Maar wellicht ook een zorg minder voor zijn Rotterdamse familie, die zich tegenover haar omgeving voortaan niet hoeft te verontschuldigen dat zij maar van de 'gewone' tak van de familie is. De ongewenste verheffing van de een zou tot een even ongewenste ongelijkheid van de anderen geleid hebben.Dat alles op grond van een consequente beslissing van de regering, die zich gehouden heeft aan het beleid dat er sinds 1945 geen adeldom meer is verleend en dus geen nieuwe meer zal worden verleend.