Gewonnen wereld doet de ziel schade

Nederland is in de internationale concurrentie veel weerbaarder geworden. Paul Kapteyn vindt echter dat die economische weerbaarheid in ons land is doorgeschoten en dat nu schade dreigt voor het welbevinden van de burgers.

De kerken in Nederland zijn enige tijd geleden een actie begonnen tegen de 24-uurseconomie. Ze zijn bezorgd, aldus een woordvoerder, over de groei van ongebruikelijke arbeidstijden, die de noodzaak van een regelmatig werk- en rustpatroon frustreert. Daarmee raken ze kennelijk een gevoelige snaar en dat behoeft niet te verbazen.

De werkloosheid in Nederland is sterk gedaald, maar de bescherming van arbeid is er niet beter op geworden. Het ontslagrecht is vereenvoudigd, arbeidscontracten zijn minder 'vast' en inmiddels werkt de helft van de arbeidende bevolking op onregelmatige tijden. Dat is het resultaat van welbewust beleid van overheid en bedrijfsleven met als doel zich in de toenemende internationale concurrentiestrijd te weren. Dat is gelukt, althans daar ziet het naar uit, en juist omdat de voordelen van de nieuwe economische orde manifest lijken, gaan de nadelen zwaarder wegen.

De vraag rijst of de balans tussen werk en vrije tijd niet doorschiet nu aan het eerste zoveel belang wordt gehecht. Vandaar breidt de twijfel zich uit. Hoever reikt eigenlijk de dwang van de economische concurrentie met haar steeds maar stijgende winsten voor steeds maar grotere bedrijven. Hoe diep wordt de kloof tussen grote vermogens en hoge salarissen enerzijds en de inkomens van het gewone personeel anderzijds. Hoever gaat de privatisering van overheidstaken, die burgers tot beursspeculanten maakt, die de kas van de banken spekt en intussen de collectieve zekerheid inperkt?

Dit antikapitalistisch sentiment is niet heftig, maar het is wijd verspreid, en daarvan getuigen de actie van de kerken en de reacties daarop. De kerken staan immers niet alleen. Vakbonden, sportverenigingen en andere organisaties die het van de vrije tijd moeten hebben, steunen de actie, die bovendien op de sympathie kan rekenen van de kleinere linkse en rechtse partijen.

Geheel anders is de houding van de VVD, die zich als de kampioen van de grote aanpassing opwerpt. Gebrek aan sympathie voor de actie is er ook bij de PvdA. Haar woordvoerders houden vast aan het paarse compromis. De werkloosheid is immers gedaald. Het Tweede-Kamerlid Rick van der Ploeg beklemtoonde voor de radio de voordelen van de flexibele arbeid. Huishoudelijke taken kunnen beter worden verdeeld, vrije tijd kan beter worden gespreid en meer afgestemd op individuele voorkeuren. Aan het belang van 'een collectief rustpunt' tilt hij kennelijk minder.

Daarmee verschilt hij van de verwante FNV. De vakbond bleek bereid om, op voorwaarde van een 36-urige werkweek, de verruiming van de arbeidstijden te aanvaarden. Hij droeg daarmee zelf zijn steentje bij aan de flexibilisering. Maar er zijn grenzen, en die liggen bij de vrije zaterdag en zondag. Ze mogen niet als een gewone werkdag worden beschouwd, al zal een enkele uitzondering op deze regel niet op overwegende bezwaren stuiten.

Vandaar de steun voor de actie van de FNV, samen met het CNV, die echter ophoudt waar de meer algemene twijfel begint. Vakbonden behartigen allereerst belangen en opereren pragmatisch.

Dat geldt niet voor de kerken. Ook al hebben zij ongetwijfeld belangen en zal één daarvan de vrije zondag zijn, hun taak is een andere. Zij hebben een gewetensfunctie, roepen op tot bezinning, tot inkeer. 'Wat baat het de mens, zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?' Deze vraag is van alle tijden. Ze waarschuwt voor de menselijke hoogmoed die voor de val komt. Ze roept op tot het tegenovergestelde, tot deemoed en ascese om de val te voorkomen, en als dat niet lukt, om het verdriet en de angst van na de val te boven te komen.

Kerken en religie in het algemeen hebben wat dat betreft altijd gelijk. Het menselijk leven heeft zijn eigen conjunctuur en het besef daarvan kan de golfslag temperen. Dat geldt voor vroeger, toen het leven zoveel minder gecontroleerd verliep en vreugde en angst sterk contrasteerden en tegelijk vlak bij elkaar lagen. Maar dat geldt ook voor nu, en zeker voor wat 'de economie' is gaan heten. De nervositeit van de beurs behoeft geen nader betoog. De jonge mannen die zich daar in het klamme zweet werken, doen denken aan frontsoldaten die in opdracht van het kapitaal elkaar het vuur na aan de schenen leggen. Bij winst stromen de mensen toe, bang om te laat te zijn. Bij verlies sjokken ze weg, boos of verdrietig te lang te zijn gebleven. Men zou de kracht van deze schommelingen niet moeten onderschatten.

De Franse socioloog Emile Durkheim wees tegen het einde van de vorige eeuw op het statistische verband tussen heftige financiële fluctuaties en de toename van wat hij anomische zelfmoord noemde. Thans zijn de verhoudingen minder scherp, maar de structuur vertoont sterke overeenkomsten. Dat geldt niet alleen voor de beurs, maar ook voor wat er verder aan economie bestaat. Het is hollen of stilstaan. Eerder waren vele bedrijven zo goed als failliet en nu weten ze met hun geld geen raad meer. Eerder ontsloegen ze personeel waar ze nu om zitten te springen. Dat personeel moest langer gaan werken, omdat het economisch zo slecht ging. Nu moet dat ook, maar omdat het economisch goed gaat.

Deze nervositeit geldt ook voor de overheid. Na de onstuimige groei van het apparaat en de overheidsdiensten, heerst thans een bijna even onstuimige inkrimping. Die geldt voor de privatisering van essentiële taken waarover de regering volgens de Rekenkamer de controle heeft verloren. Die geldt ook voor de bedrijfsmatige aanpak van wat niet wordt geprivatiseerd. Overal heerst de economische retoriek van afdelingen die tot marktpartijen worden omgedoopt. Ze leveren nu 'producten' die wat prijs en kwaliteit betreft concurrerend moeten zijn. Dat is boerenbedrog omdat er helemaal geen markt is, en omdat waar die wel is, de verhoopte effecten van betere kwaliteit voor een lagere prijs zich niet voordoen, ze niet meetbaar zijn of niet opwegen tegen onverhoopte nadelige effecten.

Iedereen die op een of andere manier bij de overheid werkt, maakt deel uit van deze reorganisatie. Wie er geen persoonlijk belang bij heeft, erkent dat het wind is en probeert zo goed en zo kwaad als het gaat het eigenlijke werk te blijven doen. Verzet heeft geen zin, omdat inmiddels ook de gezagsverhoudingen autoritair zijn geworden, waarbij beroepsbestuurders bedrijfje spelen en het gewone personeel met weinig pardon kan worden ontslagen.

Wie wekt wie uit deze waan? De retorische vraag voert terug naar de kerken die tot bezinning oproepen, maar waarvan geen praktisch handelen kan worden verwacht. Het pathos van de beschadigde ziel beroert mensen, maar biedt geen instrumenten om vervolgens wat te doen.

Dat is anders bij de vakbonden. Hun rol kwam al ter sprake, maar hun opstelling is gematigd. In het algemeen is dat wellicht terecht. De recente ontwikkeling is mogelijk minder dramatisch wanneer ze op de lange termijn wordt bekeken. Tot voor kort zat er veel waars in die stelling. Conjunctuurschommelingen kunnen heftig zijn, maar de structuur van maatschappelijke processen op lange termijn was opmerkelijk stabiel. Om drie belangrijke kenmerken te noemen: economische groei, uitbreiding van overheidstaken, afnemende sociale ongelijkheid. Dit zijn de trends van in ieder geval de afgelopen honderd jaar die zich in vrijwel alle Westerse landen hebben voorgedaan, met als opvallend verband dat waar de overheid sterker groeide de sociale ongelijkheid sterker afnam, terwijl de economie relatief minder sterk groeide. Een goed voorbeeld is Nederland, met de VS als tegenhanger. Ook in deze periode verhieven kerken hun stem om de keerzijde van de medaille niet uit het oog te verliezen. Toch kan deze ontwikkeling over het algemeen als een vooruitgang worden bestempeld en zullen weinigen de weg terug willen gaan.

Echter, aan deze trend is een einde gekomen. De economische groei zet door, maar de overheid wordt kleiner en daarmee de belastingdruk lichter, terwijl de ongelijkheid weer groter wordt. Dat geldt al langere tijd voor de VS en Groot-Brittannië, maar sinds kortere tijd ook voor Nederland, terwijl andere landen hun best doen dit voorbeeld te volgen. Deze trendbreuk speelt ook op het terrein van de arbeidsvoorwaarden met als treffend voorbeeld de officiële winkelsluitingstijden, die in Groot-Brittannië geen restricties kennen en in Nederland nu relatief zeer weinig. Daar tegenover staat Duitsland, dat opmerkelijk vaak 'gesloten' is, maar zich voorneemt daarin verandering te brengen. Op zichzelf hoeft deze aanpassing niet tot grote bezorgdheid te leiden. Er zijn voordelen aan verbonden, zolang tenminste de vakverenigingen vasthouden aan het eerder genoemde collectieve rustpunt. Maar dat geldt niet voor de gehele reeks van aanpassingen die hier eerder zijn genoemd: minder bescherming, hoger tempo, relatief lage lonen, terwijl de economie groeit. Deze trendbreuk, waarin de VS en Groot-Brittannië voorgingen zonder een 'lichtend voorbeeld' te zijn, geeft aan elke afzonderlijke aanpassing een extra gewicht. Het tilt ze uit boven een rariteit of een modegril waarover een mens zich over kan opwinden of niet, en geeft tenslotte aan de oproep van de kerken een meer dan gebruikelijke realiteitswaarde.

Rest de vraag: is er wat aan deze trendbreuk te doen? Antwoorden op die vraag zijns doorgaans terughoudend. De globalisering of internationalisering van de economie dwingt tot de aanpassingen op straffe van armoede en ander onheil. Dat antwoord is niet bevredigend. De vergroting van de markten is een feit, net als de toenemende concurrentiedruk en het zwakkere controlevermogen van de overheid dat daaruit voortvloeit.

Maar de feitelijke reactie is sterk ideologisch en veel minder op exacte gegevens gebaseerd dan wordt gesuggereerd. Dat geldt voor de staat. Hij privatiseert en reorganiseert bedrijfsmatig, ook waar de internationale verhoudingen feitelijk geen enkele rol spelen. Hij verlicht bovendien de belastingdruk, voor bedrijven die geld genoeg hebben, en voor particulieren die hetzelfde bedrag of meer nu aan elkaar moeten betalen. Dat geldt ook voor het bedrijfsleven dat al geruime tijd grote winsten maakt, maar nog steeds en met succes klaagt over de internationale concurrentiepositie en maant tot harder en langer werken.

Dat zou allemaal anders kunnen. Nederland moet zich inderdaad weren in de internationale concurrentiestrijd, maar die weerbaarheid is inmiddels z'n doel voorbijgeschoten en moet op zijn beurt worden bedwongen. Dat zou bij voorkeur in Europees verband moeten gebeuren waar het controle-potentieel het grootst is en de nationale trendbreuk op hoger niveau gekeerd zou kunnen worden.

Maar ook nationaal zijn er mogelijkheden. Bij blijvende loonmatiging kan de collectieve zekerheid van arbeid en uitkeringen enigermate worden hersteld, hoeft de belastingdruk niet verder te worden verlicht, terwijl onnodige privatiseringen sowieso gestopt kunnen worden. Zou de bevolking daar tegen zijn? Hoe mooi de aanpassingen ook worden aangeprezen als meer 'individuele vrijheid', 'klantgerichtheid' en 'kwaliteit', ze zijn meestal aan de meerderheid opgelegd en niet door haar afgedwongen.

Of zou het bruto nationaal product (BNP) niet bestand blijken tegen zo'n hersteloperatie? Dat is nog maar de vraag. Waar heeft de economische opleving meer aan te danken, aan de nieuwe 'marktwerking' of aan het inmiddels suspecte verklaarde corporatisme van werkgevers, werknemers en overheid, dat jarenlang de succesvolle loonmatiging genereerde.

Bovendien, wat is eigenlijk de waarde van het BNP, dat een onaantastbaar criterium lijkt maar niettemin ernstige tekortkomingen vertoont. Wat mensen voor zeer waardevol houden - vrije tijd, huishoudelijk werk, opvoeden van kinderen, vrijwilligerswerk - wordt niet meer meegeteld, terwijl omgekeerd milieuverontreiniging, overbodige reorganisaties en stress niet worden afgetrokken. Zo'n herijking van de verrijking is mogelijk. De balans tussen een 'gewonnen wereld' en een 'beschadigde ziel' is behalve een zorg van de kerken ook een taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek.