Battle is zingende sprookjesprinses

Concert: Kathleen Battle (sopraan) en Roger Vignoles (piano). Gehoord 30/3 Concertgebouw Amsterdam.

Wat is een sopraan? Lichaam en geest, body and soul in het geval van de Amerikaanse sopraan Kathleen Battle, die gisteravond optrad in het Amsterdamse Concertgebouw. Het slanke lichaam mag er wezen, gehuld in een glimmend paarse tot pauwblauwe strapless avondjurk. De heupen zijn op fin-de-siècle wijze omplooid, de zeer lange crème-kleurige stola met franje draagt ze elegant.

Kathleen Battle is een zingende en kwinkelerende spookjesprinses, haar pianospelende prins volgt bij het frequente opkomen en afgaan van het podium haar lange sleep eerbiedig op drie pas afstand. Haar stem, in het geval van een sopraan is haar strottenhoofd haar belangrijkste lichaamsdeel, mag er wezen. Slechts twee keer klinkt een hoge noot iets geforceerd. Verder is alles prachtig, licht, sprankelend, doorschijnend als waterverf. Haar zingen is behaagziek aquarelleren.

De geest van Battle is geheel gefixeerd op die vluchtige schoonheid, ze is de prinses van het licht-klassieke divertissement. Haar keuze van aria's en liederen beperkt zich tot prettige probleemloze teksten, of ze doet alsof men er echt niets achter hoeft te zoeken, ook niet als ze als Cleopatra vreest dat Caesar dood is. Is het een zelfportret dat ze zingt aan het slot van Dowlands Say love if ever thou didst find: 'There is no Queen of love but she, she and only she, she only, Queen of love and beauty.'

Van elk nummer maakt Battle een zeer bestudeerd theaterstukje, waarbij de stola verhuist van links naar rechts, opgevouwen voor zich gehouden of, bij een spiritual zedig de schouders bedekt, al zal God er wel doorheen zien. De stilistische verschillen tussen Dowland, Purcell, Wolf (vervanging voor de aangekondigde Haydn), Händel en Fauré worden door Battle opgeheven. Het gaat allemaal om Battle, niet om de muziek zelf, al lijken haar spirituals - een enkele a capella gezongen, de reflectie van echt geloof.

Dan is er tussendoor nog het theater van de sopraan zelf: ze doet telkens langdurig inspiratie op, ze lijkt haar tekst soms wel even kwijt en probeert die terug te halen, er komt een lessenaar met muziek, die even later demonstratief wordt weggeschoven, er wordt overlegd met pianist Roger Vignoles, en dan, eindelijk zingt ze weer. Spannend was het nog even, toen tijdens Händels Let the bright Seraphim de muziekbladen van Vignoles uit zichzelf begonnen om te slaan, maar dat liep gelukkig goed af.

Vijf toegiften waren er nog in een half uur waaronder een lied van Turina, Summertime van Gershwin, Mein Herr Marquis uit Die Fledermaus en Una voce poco fa uit Rossini's Il barbiere di Siviglia. Dat laatste is geschreven voor mezzosopraan, zodat de hoge noten hier geen enkel probleem waren en Battle zich kon concentreren op zichzelf.