Winst publiek-private projecten onduidelijk

Bij grote projecten zoeken overheden en bedrijven elkaar graag op in een ppp, een public private partnership, maar de voordelen daarvan zijn vaak nog in nevelen gehuld.

LONDEN/DEN HAAG, 30 MAART. Een van de meest geliefde thema's in Europese conferentiezalen lijkt tegenwoordig het onderwerp van de zogeheten ppp's: de public private partnerships, samenwerkingsverbanden waarbij overheid en (grote) particuliere bedrijven hun krachten bundelen om een project technisch en financieel te verwezenlijken.

In Groot-Brittannië alleen al werden er vorige jaar meer dan honderd bijeenkomsten over gehouden. Zo groot was de lust tot meestal rijkelijk oppervlakkige ppp-conferenties dat het Britse ministerie van Financiën vorig jaar besloot een speciale eenheid in het leven te roepen om de stroom enigszins in goede banen te leiden en zo mogelijk af te remmen.

Als voorzitter van de Europese Unie weerhield een en ander diezelfde Britten er niet van eind vorige maand in samenwerking met de Europese Commissie een grote internationale conferentie in Londen te beleggen over ppp's op het terrein van de infrastructuur. Ook minister Jorritsma van Verkeer en Waterstaat gaf er acte de présence.

Op initiatief van premier Kok volgt er nu een soortgelijke exercitie in Amsterdam om Midden- en Oost-Europa te laten delen in de vermeende zegeningen van de ppp's. Waaruit die precies bestaan blijft overigens in nevelen gehuld. “Realistisch zijn over ppp's betekent begrijpen dat ze niet een makkelijke optie vormen”, waarschuwde Neil Kinnock, de Europese Commissaris voor Transportzaken op de conferentie in Londen. Hij is er deze week weer bij. Op sommige terreinen zijn ppp's niets nieuws. Wanneer een gemeente samen met winkeliers de schouders zet onder een nieuw winkelcentrum, is ook dat een ppp. In de sector infrastructuur waren in de meeste landen zulke samenwerkingsverbanden de laatste decennia echter ongebruikelijk. Maar overheid en bedrijfsleven worden zich er steeds sterker van bewust dat ze voor infrastructurele mega-projecten min of meer tot samenwerking zijn veroordeeld.

Het wemelt in Europa inmiddels van de projecten die als ppp's te boek staan. Van de gecombineerde tunnel en brug over de esund tussen Denemarken en Zweden, tot snelle treinverbindingen tussen Berlijn en Wenen via Praag en van autosnelwegen in Hongarije tot een nieuw vliegveld voor Athene.

Hoe de rol van op winst gerichte particuliere bedrijven bij zulke projecten wordt ingevuld, blijft echter een lastige vraag. “Het probleem is dat de macro-economische voordelen van grote publieke infrastructurele projecten vaak niet direct zijn te verzilveren”, aldus de met pensioen vertrekkende secretaris-generaal S. van der Plas van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. “Er gaapt bij zulke projecten een gat tussen maatschappelijk nut en bedrijfseconomische voordelen.”

Ook aan de meest in het oog springende ppp's in Nederland van het ogenblik, de hogesnelheidslijn naar Parijs en de Betuwelijn, kleeft die onzekerheid. Op de begroting voor deze HSL, die in totaal 8,6 miljard gulden bedraagt, staat de private sector alvast genoteerd voor 1,8 miljard gulden. Maar van wie dat geld allemaal moet komen, is nog duister. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft geopperd dat particuliere bedrijven zouden kunnen bijdragen in seinsystemen, kaartjesautomaten, stations en conferentiecentra.

Veel particuliere bedrijven lijken er meer toe te neigen de overheid eerst de kostbare infrastructuur te laten aanleggen, waarna zijzelf daarvan de economische vruchten kunnen plukken door de aanleg van nieuwe fabrieken, kantoren en diensten in de buurt van de nieuwe verbindingen.

Minister Jorritsma wees er echter op dat het niet overal even moeizaam verloopt als bij ppp's in het spoorvervoer. In de luchtvaart bestaat een traditie dat de infrastructuur grotendeels zelf wordt gefinancierd. Dat gebeurt deels uit landingsgelden en deels uit profijtelijke nevenactiviteiten zoals duty-freewinkels. Ook een nieuwe weg kun je volgens Jorritsma met tolgelden in principe gemakkelijk voor een deel laten financieren door de gebruikers.

Vice-premier John Prescott, Jorritsma's gastheer, brak zich intussen het hoofd over een ppp die maar niet van de grond wil komen: de aanleg van een traject tussen Folkestone en Londen voor de hogesnelheidstreinen vanuit Parijs en Brussel. Nog steeds worden de supersnelle Eurostar-treinen tot boemeltjes gereduceerd zodra ze de Kanaaltunnel uitrijden op weg naar Londen. Een consortium dat de opdracht hiertoe had aangenomen, waaronder het onlangs in spoorzaken gestapte Virgin van Richard Branson, gaf die eind januari terug. Volgens de deelnemers in het consortium moet de Britse overheid er nog eens vier miljard gulden bijleggen, omdat het project anders niet loont. Prescott heeft echter weinig geld, maar hij wil ook voorkomen dat Engeland het sufste jongetje van de Europese klas wordt. Dapper roept hij nu dat die lijn er hoe dan ook komt, in het midden latend hoe en wanneer.

Voor zijn gehoor in Londen had hij alvast een les: “Hoe meer mislukkingen we meemaken met zulke ppp's, hoe meer we het vertrouwen van het publiek in deze aanpak ondermijnen.” Jorritsma was minder somber: “We zitten nog in de beginfase en maken dus fouten. Maar wie niks doet, bereikt ook niks.”