Wederopbouw Oost-Europa al begonnen; Koks 'Marshall Plan' centraal op conferentie

Het Marshall Plan voor de wederopbouw van Europa inspireerde premier Kok tot een vergelijkbaar plan voor Oost-Europa. De VS en Duitsland lijken op zijn minst verrast.

DEN HAAG, 30 MAART. De Ridderzaal, tien maanden geleden. Herdenking 50 jaar Marshall-hulp. De president van de VS, Clinton, en de kanselier van het in 1990 verenigde Duitsland, Kohl, zijn deze dag (28 mei) de belangrijkste gasten. De één vertegenwoordigt het land van Marshall, de ander het land dat destijds één grote ruïne was en inmiddels ondanks een kwakkelende economie het grootste gewicht in de Europese weegschaal legt.

Premier Kok, voorzitter van de Europese Unie, is gastheer en feestredenaar. Hij pleit voor wat al snel, maar niet geheel correct, 'een nieuw Marshall-plan voor Oost-Europa' zou gaan heten. De landen van Centraal- en Oost-Europa hebben “op grote schaal” hulp nodig, zegt de premier. “Indien wij bereid zijn daarvoor verantwoordelijkheid op ons te nemen, zullen wij allen de voordelen daarvan oogsten, zoals dat het geval was in de tijd van het Marshall Plan.” Zouden Clinton, de grootste potentiële geldgever, en Kohl, de grootste feitelijke geldgever, toen even hebben gedacht dat de premier van Nederland daar sigaren uit hun dozen stond te presenteren?

Maar dat was niet zo. Kok verraste zijn gehoor misschien wel enigszins, maar hij bleef zichzelf trouw en dus voorzichtig. Het ging hem om verbetering van de infrastructuur in de vroegere Warschau-Pactlanden. De schattingen van de benodigde fondsen, honderd miljard dollar, zijn dusdanig dat “het grootste deel van dat geld van particuliere investeringen moet komen”, lichtte hij toe. Het ging hem om co-financiering en investeringsgaranties om publiek-private initiatieven voor de Oost-Europese infrastructuur te begunstigen. Nederland zou in de tweede helft van 1997 wel gastland willen zijn voor een Euro-Atlantische conferentie om zulke initiatieven “in concrete termen te bespreken”. Het is later geworden.

Morgen en overmorgen wordt in Amsterdam de Euro-Atlantische conferentie 'Bridging Gaps in financing infrastructure' gehouden. Kok en vijf van zijn ministers (Van Mierlo, Wijers, Zalm, Jorritsma en De Boer) en conferentievoorzitter F. Andriessen, ex-vice-voorzitter van de Europese Commissie, ontvangen in Hotel Krasnapolsky internationale deskundigen. Onder de 250 deelnemers zijn bankiers, veel bankiers, vooral uit Nederland. En deskundigen op deelgebieden als telecommunicatie, energie, milieu en verkeer.

Er zal in acht (besloten) workshops worden gediscussieerd over wat secretaris-generaal Van den Berg van Buitenlandse Zaken vorige woensdag “concrete vormen van publiek-private samenwerking” noemde. De conferentie is “absoluut niet bedoeld om fondsen te werven, er zijn al genoeg internationale instituties die op dit gebied werkzaam zijn, nu gaat het over structuren waarmee bij het mengen van particuliere en publieke fondsen kan worden gewerkt”.

Van den Berg zei het al. Er is geen gebrek aan internationale instituties die zich met de moeizame ontwikkeling van Oost-Europa bezighouden of, zoals de Oost-Europese ontwikkelingsbank (EBRD), daarvoor zelfs zijn opgericht. Evenmin kan worden gezegd dat particuliere banken, in West-Europa bovenal grote Duitse banken, geen oog hebben voor dat stuk van de wereld, al zijn ze de afgelopen jaren voorzichtiger geworden met landen die ooit tot de Sovjet-Unie behoorden. Uit de deelnemerslijst blijkt dat de belangstelling in de VS en de Bondsrepubliek voor de conferentie niet overdadig is, al is de directeur van de Amerikaanse Trade and Development Agency, Joseph Grandmaison, dan toch uiteindelijk bereid gevonden als spreker te komen.

Om de gedachten te bepalen: Duitsland heeft van 1990 tot en met 1997 alleen voor de negen staten die de Sovjet-Unie vormden al 133 miljard mark aan publieke middelen uitgetrokken, waarvan 42 miljard aan exportkredietgaranties. Tot eind 1996 stak Bonn aan overheidsmiddelen 56,6 miljard DM in de overige Oost-Europese landen. Het Duitse handelsvolume met de landen van de gewezen Sovjet-Unie was vorig jaar geklommen tot 42,4 miljard (19,7 invoer, 22,7 uitvoer), dat met de overige Oost-Europese landen tot 125 miljard (55,5 en 69,5). De totale handel tussen Nederland en Centraal- én Oost-Europa (inclusief Rusland) onderging in 1996 volgens een midden vorig jaar aan de Tweede Kamer verzonden brief “een sterke groei” en bereikte daarmee een volume van 17,7 miljard gulden. Voor exportkredietfinanciering naar de twee grootste afnemers, de vroegere Sovjet-Unie en Polen, werd in '96 voor 1,29 en 1,28 miljard gulden aan garanties verstrekt.

Nu kunnen de economische kracht en de oriëntatie op Centraal- en Oost-Europa van Duitsland en Nederland, dat tweede buitenlandse investeerder in de VS is, natuurlijk niet echt met elkaar worden vergeleken, daarvoor is de 'gap' tussen die landen te groot. Maar jammer is die geringe belangstelling uit de VS en Duitsland wel.

De gedachten gaan terug naar Koks rede in de Ridderzaal. Zou hij, zoals destijds al werd gemompeld, zijn initiatief misschien vooraf niet goed genoeg hebben gecoördineerd? Met name niet met de landen die daarvoor potentieel het interessantst zijn? Mocht dat zo zijn, dan valt te begrijpen waarom het nu al heet dat een vervolgconferentie “niet is voorzien”.

    • J.M. Bik