ROEMRUCHTE VOETBALSTAD IN VERVAL

Antwerp FC degradeert zeker van de eerste klasse van België naar de tweede, Beerschot staat onderaan in de tweede klasse en kan elk moment uit de competitie worden genomen wegens wanbetalingen, en Berchem Sport is afgedaald naar de vierde klasse. Antwerpen, voetbalstad in verval.

In het café aan de Abdijstraat wordt zaterdagmiddag op rock and roll gedanst. Dromerig dronken mannen drinken aan de toog grote glazen bier en gluren naar vurige vrouwen met hoog opwaaiende rokken. Weet op z'n minst iemand dat een paar uur later en vijfhonderd meter verder de voetbalwedstrijd tussen Beerschot en Patro Eisden begint? Ja, er is er één, een oudere man met pet. “Meneer, ik zal er zijn. Zolang Beerschot bestaat kan de club op me rekenen”, zegt hij, wijzend op een oude foto van een elftal van paars en wit.

Raymond Braine, de beste vooroorlogse voetballer van België, heeft hij nooit zien spelen. Maar zeker Rik Coppens en Juan Lozano - betere voetballers heeft Antwerpen en ook België niet gekend. Hij neemt een slok bier en kijkt naar de geestdriftig dansende vrouwen. “Die Coppens was een genie en die Lozano was een flamencodanser. Die hield nooit op, ook al hadden ze z'n benen gebroken. Het is niet meer zoals vroeger. De jongens van nu doen hun best nog. Maar Beerschot bestaat volgend jaar niet meer. Zo is het voetbal vandaag. Het geld is belangrijker dan het gevoel. God, wat is er toch mis met deze wereld?”

In zijn kantoor op stadion Het Kiel steekt secretaris Jacques Pellens van Beerschot een uur voor de wedstrijd zijn zoveelste sigaret op. “Het doet me een genoegen u te kunnen ontvangen”, zegt hij met een lach, terwijl hij nerveus zijn sigaret na de eerste trek uitdrukt. “Het is toch weer gelukt. Beerschot mag vanavond spelen. Ik heb gisteren zware uren gehad met de Belgische bond. Achterstallige salarissen moesten betaald worden. Beerschot is in aanleg van schrapping. Het is wekelijks de vraag of we geld hebben kunnen vinden om ons bestaan te verlengen.”

Tijdens het gesprek valt de curator, een jonge man in poloshirt, het kantoortje binnen. Pellens begroet hem met een vette knipoog. Nee, hij heeft geen verkeerde dingen aan de journalist verteld. Pellens is al een halve eeuw lid van Beerschot. Hij heeft de club van de Franstalige aristocraten, van de artsen en hooglerarenr in Antwerpen nog zien bloeien en hij heeft de club de kant van de duivel zien kiezen. Aan de hand van knoeiers en patsers. “Vergaderingen? Mannen met dikke Mercedessen en sigaren van zevenhonderd frank in de mond die eens even goed gingen eten. Verstand van voetbal hadden ze niet. Geld uitgeven als zotten en dan verbaasd zijn dat ze niets terugkregen. Zo is de voetbalwereld van vandaag, meneer.”

Pellens geeft een rondleiding door het olympisch stadion van 1920. Het stadion dat in een verpauperde volkswijk vol allochtonen ligt, ziet er tamelijk onderhouden uit. Links en rechts is een redelijk geslaagde poging tot renovatie gepleegd. Er hangen foto's aan de muren van de Centennial Club, het deel van het stadion waarin mensen met een beetje geld, te dure kleding en te grote mond de schijn ophouden dat Beerschot nog bestaansrecht heeft. “We gaan door zolang het duurt”, zegt Pellens. “Maar het duurt niet lang. De grote clubs halen onze spelers weg. Betalen hoeven ze tegenwoordig niet meer. Ik heb nog twintig jeugdploegen, jongens als Lozano, en ik krijg er geen frank voor als Anderlecht, Brugge of Ajax die jongens willen hebben. Wat moeten we met ons prachtige jeugdcomplex als de grote clubs onze jeugd weghalen. Moet u eens kijken in de entree, negentig jongens, blank en zwart, op de foto. We leiden ze domweg op voor de kapitalisten in Brussel, Milaan, Madrid en Amsterdam en krijgen er niets voor terug. We werken nog voor de rijken.”

Wanneer de wedstrijd tussen Beerschot en Patro Eisden begint, scanderen een paar supporters de namen van sterren van vroeger. Er heerst meer leedvermaak dan clubliefde. In die naargeestige sfeer kan een telefoontje naar de oude vedette Rik Coppens opheldering verschaffen. Coppens zit thuis, maar hij moppert. “Hoeveel het staat bij Beerschot interesseert me niet. Ik wil er niets mee te maken hebben. Het voetbal is kapot. En dat is niet de schuld van Beerschot, maar van de mensen in de commercie die niets van voetbal begrijpen. Goedendag, groet mijn vrienden die meer van voetbal dan van geld houden.”

Guy Thys, de voormalige bondscoach, was speler bij Beerschot en trainer bij FC Antwerp. Hij gaat nog wèl kijken naar zijn oude liefdes - alleen het hem uitkomt. Maar: “Ik heb nog gespeeld toen Antwerpen met Antwerp, Beerschot en Berchem drie ploegen in de eerste klasse had. Er kwamen toen 25.000 man bij Beerschot. Het verval is niet af te wenden. Geld speelt de hoofdrol. Grote clubs gaan naar de beurs, kleine clubs kunnen geen sponsors meer vinden, spelers denken alleen nog aan geld. Ik was van Beerschot en werd trainer van Antwerp. Dat gaf ruzie, maar dat was wel pure emotie, Wie voor Beerschot is, de club van de chique mensen, gaat nooit voor de arbeiders van Antwerp werken. Ja, ik was misschien wel een van de eersten die verraad pleegden aan traditie en clubtrouw.”

Niemand van de rijken in Antwerpen is bereid geld in kleine, tot sterven gedoemde clubs als Antwerp, Beerschot en Berchem te investeren. Havenbaronnen, oliemaatschappijen en diamantairs zijn er volop in de metropool. “Begrijpelijk dat ze alleen belangstelling hebben voor een bedrijf dat Europees interessant is en dat op de televisie komt”, beseft Pellens. “De beste club van Antwerpen is Germinal Ekeren, ergens buiten de stad. Dat is een clubje van enthousiaste mensen, goed beheerd door een aannemersbedrijf, met een stadion dat nog geen achtduizend mensen kan bevatten. De gemeente wil dat Beerschot gaat fuseren met Ekeren en Berchem. Maar dat wil niemand in Beerschot. Dan zouden we in een nieuw stadion in Antwerpen moeten spelen. Een fusieclub, in een nieuw stadion, dat trekt wel grote sponsors, denkt men. Maar dat wil het volk niet. Antwerpen is een stad van veel emoties en van veel verschillende mensen.”

De Bosuil, de Hel van Deurne, Schoonheid der Wanstaltigheid (naar Geert van Istendael), het stadion waarin FC Antwerp speelt en waarin België en Nederland de Derby's der Lage Landen nog voor zestigduizend toeschouwers uitvochten, is een bouwval. De stad die meent dat cultuur hoog in het vaandel moet staan, heeft het stadion sinds 1920 niet goed onderhouden. Renoveringen hebben weinig geholpen omdat weinigen geïnteresseerd waren in een opleving van het voetbal in Antwerpen. Al enige jaren zijn er plannen voor een nieuw stadion, op initiatief van onder meer de Nederlander George Kessler. Het zogenoemde Euro-stadion is voorbestemd als locatie voor het Euro 2000. Maar de EK-organisatie is nog niet overtuigd. Afgelopen vrijdag gaf zij de stadionbouwers uitstel tot 24 april om garanties te overleggen. Dan moet echt met de afbraak en de bouw van het nieuwe stadion worden begonnen. Of anders...

“Geen club wil in dat stadion voor veertigduizend mensen voetballen”, beseft Thys. “Antwerp gaat naar de tweede klasse. Dan komen er nog geen vierduizend mensen. Germinal wil niet weg uit het kleine Veltwijckpark. Beerschot wil niet samen met Germinal. Niemand wil met niemand. Eén grote club in Antwerpen is een oplossing. Maar niemand wil één grote club. Voetbalgevoel is teer, voetbal hoort niet op de bank of de beurs. Voetbal moet van de emotie blijven, het moet niet bezit worden van zakenlieden en beursmensen, mensen die niet huilen bij een nederlaag en niet juichen bij een overwinning.”

Thys had naast Coppens, Lozano en Pellens moeten zitten op deze naargeestige avond. Duizend mensen waren er nog in het stadionnetje van Beerschot dat te groot en te oud is voor voetbal van liefhebbers en te klein voor voetbal van geldwolven. De Mannekes speelden met 0-0 gelijk tegen Patro Eisden. Soms slaagde een speler er in te laten zien dat hij iets meer kan dan een ander. Hij zou een kandidaat zijn om in het elftal van Groot-Antwerpen in het Euro-Stadion te spelen. Maar bij wie hoort hij dan? Bij niemand. Voetbal in Antwerpen verbroedert al lang niet meer.