JACQUES REULAND OVER De laatste Matthäus

Matthäus Passion door het Toonkunstkoor Caecilia o.l.v. Jacques Reuland. 1/4 19 uur Dominicanenkerk Zwolle. Kaarten ƒ 37,50: (038) 4544127 9 - 12 uur.

ZWOLLE, 30 MAART. “Ik was al een paar jaar werkzaam als directeur van het huidige conservatorium in Zwolle, toen de vorige dirigent van het Toonkunstkoor Caecilia wegging. Hij zat bij me aan tafel en zei: 'Jacques, je bent hier zoiets als de General Musikdirektor; ik zou het erg leuk vinden als jij mijn opvolger wordt.' Toen ik begon als dirigent stond de Matthäus al klaar. De solisten waren al besteld, dus er was geen ontkomen aan. Dat is nu 28 jaar geleden. Dit jaar word ik tachtig, het Toonkunstkoor bestaat 125 jaar. Een mooie gelegenheid om te zeggen: Gefeliciteerd en bonjour!”

Jacques Reuland is dirigent en componist. Woensdag zal hij zijn laatste Matthäus Passion dirigeren bij het Zwolse Toonkunstkoor Caecilia. Solisten zijn onder anderen Bernard Kruysen (Christus) en Ludwig van Gijsegem (Evangelist).

“De Zwolse traditie van een jaarlijks terugkerende Matthäus is gevestigd onder mijn voorgangers: Cor Ponten en Clemens Holthaus. Mijn eerste Matthäus was nog geheel in de stijl van Holthaus: met orgel en klavecimbel. Dat heb ik later gerectificeerd en sindsdien hebben we uitsluitend met twee kistorgels gewerkt. Bij mijn eerste Matthäus werd het klavecimbel trouwens bespeeld door de Zwollenaar Ton Koopman. Daar bestaat nog een foto van. Alles is scherp, maar hij beweegt zó dat van hem nauwelijks méér is te zien dan een veeg.

“De eerste Matthäus die ik meemaakte was in mijn geboorteplaats Rotterdam, onder Bernard Diamant. Daarna heb ik de Matthäus gehoord onder leiding van Eduard Flipse en natuurlijk Willem Mengelberg. Ik heb een koor nog nooit zo mooi horen klinken als Mengelbergs Toonkunstkoor.

Zijn inzichten zijn achterhaald, maar hij was werkelijk uniek. Nietzsche heeft eens van Schopenhauer gezegd: 'Zijn leer heeft afgedaan, maar hij was niemands onderdaan.' Dat geldt ook voor Mengelberg. Toch is ook voor mij Nikolaus Harnoncourt van doorslaggevend belang geweest.

“Om Harnoncourt kan niemand heen. Niemand. Je moet hem alleen niet willen kopiëren, zeker niet als je met amateurzangers werkt. Het probleem is dat je een koor hebt dat nooit ieder jaar dezelfde klank heeft, want er gaan wat leden weg en er komen leden bij. Dus iedere keer moet je van voren af aan beginnen. Ik ben met het Zwolse Toonkunstkoor altijd van de klank uitgegaan. Dat betekent dat ik in sommige gevallen waarin Bach uitsluitend koor 2 voorschrijft, ik zowel koor 1 als 2 gebruik.

“De Matthäus studeren we ieder jaar weer vanaf de eerste maat in. Het allerbelangrijkste gebod van een kunstenaar is namelijk nooit te vervallen in routine. Jamais. Ik probeer telkens de details die het voorgaande jaar niet optimaal klonken voor de volgende uitvoering te verbeteren. Je streeft immers naar het moment suprême, dat moment waarop al je wensen zijn vervuld. Maar je weet dat dit moment nooit zal aanbreken. 'Tevreden' staat niet in mijn kunstenaarswoordenboek. Ik heb met dit koor voldoening; de voldoening dat ik met een koor met allerlei technische gebreken toch de geest van Bach kan laten horen.

“Mijn afscheid is natuurlijk contre coeur, want ik ben goed van lijf en leden. Maar je kan beter het initiatief aan jezelf houden. Eens komt het laatste applaus. Applaudisseren na de Matthäus heb ik jarenlang geprobeerd tegen te houden, maar het publiek wil dat per se. Woensdag maak ik één revérence met de solisten. Dan gaan we en komen niet meer terug.”