Grote politieke partijen laten het in belastingdebat volledig afweten

PvdA en VVD botsten vorige week in de Tweede Kamer over de belastingplannen van minister Zalm en staatssecretaris Vermeend. Maar het was vooral een gevecht voor de bühne. Paul Kalma en Frans Becker vinden dat de vragen waar het echt om gaat niet aan de orde komen.

Wordt het, dankzij de belastingplannen van Vermeend en Zalm, dan toch nog spannend in de Nederlandse politiek? Biedt de harde botsing tussen PvdA en VVD over dit onderwerp, begin vorige week in de Tweede Kamer, uitzicht op een verkiezingscampagne die eindelijk weer ergens over gaat?

Dat valt om verschillende redenen te betwijfelen. In de eerste plaats doet het conflict tussen PvdA-woordvoerder Van der Ploeg ('een harde aanpak van mensen die geld met geld maken') en VVD-woordvoerder Hoogervorst ('volstrekt ongeloofwaardig', 'sluipende diefstal') nogal geforceerd aan. Het wekt de indruk dat beide partijen, na vier jaar betrekkelijk harmonieuze samenwerking, zich voor de verkiezingscampagne aan het opblazen zijn - om daarna weer zachtjes leeg te lopen.

Die indruk wordt versterkt door het genuanceerde oordeel dat beide partijen uiteindelijk over de nota 'Belastingen in de 21ste eeuw' velden. De PvdA bijvoorbeeld bepleit weliswaar, tot in haar verkiezingsprogramma, een 'ander belastingstelsel', dat, in tegenstelling tot het bestaande stelsel, 'in zijn uitwerking progressief is', maar diende voorstellen in die nauw aansluiten bij de (varianten in de) nota-Vermeend/Zalm. En van die nota kan men veel zeggen, maar niet dat ze het huidige stelsel veel progressiever zal maken.

Intussen kwam afgelopen maandag het debat over de nota zelf eigenlijk nauwelijks op gang. Een enkele poging tot een diepgravender beschouwing raakte al gauw bekneld tussen de verkiezingsretoriek van VVD en PvdA en de technische finesses van de belastinghervorming.

De verantwoordelijke bewindslieden, Zalm en Vermeend, zaten er ontspannen bij en bespraken na afloop, gierend van het lachen, wie welke van de in de nota opgelaten opties de komende tijd zou verdedigen. “Dan bestrijd jij het idee waar je indertijd zelf zo vóór was”, proestte Zalm over de zojuist door VVD en D66 bepleite variant (volledige afschaffing van de belastingvrije som).

Het was een aanstekelijk gezicht. Maar wie uitgelachen was, moest constateren dat de meer fundamentele vragen niet aan de orde waren gekomen. En dát bij de behandeling van kabinetsvoorstellen met een vergaande pretentie ('de 21ste eeuw'); over een van de meest belangrijke onderdelen van ons sociaal-economisch bestel; en van een financieel gewicht dat dat van grote bezuinigingsoperaties verre overtreft.

'Belastingen in de 21ste eeuw' is een pragmatisch werkstuk. Men treft er geen uitvoerige maatschappijanalyses in aan; geen diepgaande beschouwingen over de ideële grondslagen van ons belastingstelsel. Het is Vermeend en Zalm vooral om verdere versterking van de concurrentiepositie van ons land te doen, en om stabiele belastinginkomsten via zogenaamde 'grondslagverbreding' (beperking van aftrekposten en dergelijke). Bij die verbreding gaan ze overigens voorzichtig te werk; de meeste grote aftrekposten (pensioenen, hypotheekrente, arbeidskostenforfait) blijven ongemoeid.

Kenmerkend voor het pragmatisme van Vermeend en Zalm is hun voorstel voor een nieuwe vermogensbelasting. Het huidige stelsel hanteert forse tarieven, maar die worden (wegens fiscale emigratie en belastingconstructies in eigen land) slechts door weinigen betaald. Erken nu maar, betogen Vermeend en Zalm, dat daar weinig aan te doen is. Ze bepleiten invoering van een beperkt vermogensforfait, dat wil zeggen een vaste heffing van 1 procent, onder afschaffing van de bestaande belastingen. Dat is simpel, brengt misschien weer kapitaal terug in Nederland, en is bovendien goed voor de schatkist, omdat het altijd (ook bij vermogensverlies) betaald moet worden.

Het is een helder, maar ook betwistbaar standpunt. Door (inkomsten uit) vermogen veel lager te belasten dan inkomsten uit arbeid, maken de bewindslieden inbreuk op het 'draagkrachtbeginsel', dat, blijkens onderzoek, in Nederland diep verankerd is. En dat doen ze uitgerekend in een periode waarin de inkomens- en vermogensongelijkheid verder toeneemt en er op huizen en effecten ongekende winsten worden gemaakt. In 'Belastingen in de 21ste eeuw' is over die toenemende ongelijkheid geen cijfer te vinden; laat staan dat de auteurs de mogelijkheden verkennen om haar te beperken.

Nu zullen Vermeend en Zalm die mogelijkheden waarschijnlijk laag inschatten. Maar die opvatting dient dan publiekelijk getoetst te worden. Ze zal vergeleken moeten worden met de ervaringen in andere Westerse landen, waar een vermogenswinstbelasting (in ruil voor compensatie bij vermogensverliezen) van kracht is; en met de argumenten van veel fiscalisten in Nederland die al jarenlang voor een vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting pleiten. Het ligt ook voor de hand om de economische prijs die wellicht voor een zwaardere belasting van vermogens moet worden betaald, te vergelijken met de sociale prijs van grote maatschappelijke ongelijkheid.

Het merkwaardige is nu dat een dergelijke toetsing helemaal niet plaatsvindt. De vier grote politieke partijen, zo bleek maandag, kunnen zich zeer wel vinden in Vermeends vermogensforfait - zij het dat de PvdA het tarief iets wil verhogen (bijvoorbeeld om de hogere inkomens hun eigen tariefsverlaging in de inkomstenbelasting te laten betalen). GroenLinks-Kamerlid Rabbae, die veel verder wil gaan en een vermogensaanwasbelasting bepleitte, naast de bestaande vermogensbelasting, stond vrijwel alleen.

Ook een andere schaduwzijde van het vermogensforfait bleef geheel onbesproken. Als het ooit eens minder goed met de economie, de huizenmarkt en de beurs zou gaan, en vermogenswinsten vermogensverliezen zouden worden - blijft het forfait dan toch gehandhaafd? Hoezo, 21ste eeuw?

Problematisch is de 'smalle', pragmatische aanpak van Vermeend en Zalm ook als het om de vergroening van het belastingstelsel gaat. Dat fiscale instrumenten onmisbaar zijn bij de bestrijding van een aantal ernstige milieuproblemen, nationaal en internationaal, staat buiten kijf. Nederland loopt, schrijven de bewindslieden terecht, bij de eerste aanzetten daartoe voorop. Een goede aanleiding, zou men zeggen, om de relatie tussen milieu en fiscus eens grondig onder de loep te nemen. Welke vorm moet de beoogde vergroening krijgen? Maar ook: verwachten we er niet te veel van? Op welke grenzen stuit zo'n aanpak?

Helaas worden dergelijke vragen in 'Belastingen in de 21ste eeuw' niet gesteld, laat staan beantwoord. De twee bewindslieden bepleiten zonder veel omhaal van woorden een verdere verschuiving van de directe naar de indirecte, zogeheten consumptiebelastingen (btw, accijnzen, heffingen, e.d.). Die verschuiving, zo suggereren ze, moet toch al plaatsvinden omdat een zware belastingdruk op arbeid slecht voor de werkgelegenheid is, en een zware belasting op kapitaal slecht voor de economie. Met meer nadruk op milieuheffingen (op energie e.d.) slaan we dus meer vliegen in één klap!

Dat klinkt echter mooier dan het is. Voor men het weet wordt het milieu vooral als een fraai ogend etiket gebruikt, waarmee elke verschuiving ten gunste van de indirecte belastingen kan worden gelegitimeerd.

Wie dat een te cynische interpretatie vindt, moet niet alleen kennisnemen van de scherpe kritiek uit fiscalisten- en milieuhoek op dit onderdeel van de nota ('fantasieloos', 'gebrek aan samenhang', 'grote vervuilers blijven buiten schot'), maar ook van de verdediging van de bewindslieden zelf. 'Baat het niet, dan schaadt het niet', zo rechtvaardigden ze de voorgestelde vergroening vorige week. Dat getuigt, zacht gezegd, niet van grote ecologische betrokkenheid.

Bij dat alles blijft bovendien het centrale probleem van een ecologisch gericht belastingstelsel buiten beschouwing: de spanning namelijk tussen het streven naar financiële stabiliteit enerzijds, en naar gedragsverandering anderzijds. De twee bewindslieden van Financiën zoeken naar een wijze van heffen die de opbrengsten voor de overheid zo stabiel mogelijk maakt. Dat is inderdaad goed voor de overheidskas, maar veel minder goed voor het milieu, dat juist gebaat is bij heffingen die steeds minder gaan opbrengen (omdat burgers hun vervuilend gedrag gaan aanpassen).

Men zou verwachten dat de Tweede Kamer dergelijke zwakten en lacunes in de nota blootlegt. Maar daarvan was vorige week geen sprake. Alleen de SGP stelde genoemde spanning tussen fiscaal- en milieubeleid aan de orde. Het overgrote deel van de Kamer omhelsde, met de VVD (om economische redenen) in een dwarsliggende rol, de voorstellen van Vermeend en Zalm. Vergroening van het belastingstelsel is kennelijk alleen maar iets moois en vanzelfsprekends.

Er zijn nog meer voorbeelden te geven van belangrijke problemen en dilemma's op het gebied van de belastingpolitiek, die vorige week niet of nauwelijks aan de orde kwamen. Neem de verhoging van het arbeidskostenforfait (eventueel arbeidsaftrek), waarmee men werklozen wil prikkelen om werk te zoeken - zonder er bij te vertellen dat de achterstand van de uitkeringen op de lonen zo nog verder oploopt. Neem de hypotheekrenteaftrek (onbespreekbaar, zoals PvdA-Kamerlid Van der Ploeg heeft gemerkt) en de riante fiscale 'begeleiding' van pensioenen en pensioenfondsen. Of neem de coördinatie van belastingen op Europees niveau.

De grote partijen in de Tweede Kamer, zo concluderen we, hebben het in de menings- en besluitvorming over een belastingstelsel voor de 21ste eeuw laten afweten. Dat is des te ernstiger, omdat een nieuwe kans op een grondige parlementaire gedachtewisseling zich waarschijnlijk niet snel meer voordoet. Zeker nu de Sociaal-Economische Raad de plannen van Vermeend en Zalm in grote lijnen steunt, neemt de kans toe dat we althans een deel van die plannen in het regeerakkoord van komende zomer zullen terugvinden.

Veel kans op een open parlementair debat is er daarna niet meer. Met andere woorden: invoering van, bijvoorbeeld, het door Vermeend en Zalm voorgestelde vermogensforfait ligt binnen handbereik - zonder dat sprake is geweest van enige serieuze (publieke) afweging van de voor- en nadelen van zo'n forfait tegen alternatieven als een vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting.

Het zou niet de eerste keer zijn dat het in ons poldermodel zo toegaat. Maar het blijft, uit een oogpunt van open, democratische besluitvorming, wel een aanfluiting.