Geilheid domineert Nacht van de Poëzie

Erotiek was een veelvuldig terugkerend thema zaterdag in de Nacht van de Poëzie. 'Je zocht mijn lotusbloem met je lippen....', declameerde Jan Kal.

UTRECHT, 30 MAART. 'De geiligheid, die kent geen tijd,' zong Jenny Arean om kwart over negen in het Utrechtse Vredenburg. Als 'entr'acte' van de Nacht van de Poëzie had ze even daarvoor samen met Lucretia van der Vloot een ander seksueel getint liedje ten gehore gebracht: het onlangs met de Annie M.G. Schmidt-prijs bekroonde 'Halleluja Amen', waarin een nieuwe geliefde wordt vergeleken met de wederopgestane Jezus. Maar temidden van de 21 dichters van de 18de Nacht van de Poëzie vielen Arean en Van der Vloot niet uit de toon: erotiek was zaterdag een van de terugkerende thema's.

Zo declameerde de Vlaamse Lut de Block haar gedicht 'Oesters', een zinderende beschrijving van een seksuele relatie die eindigt met: 'Hij lust haar rauw,/ hij zuigt haar leeg,/ hij gooit haar weg.'

Anna Enquist verraste de tweeduizend poëzieliefhebbers in Utrecht met een ongepubliceerd vers waarin het lichaam vergeleken werd met een eiland dat zich het best 'vanaf de zuidkant' laat veroveren. Jan Kal declameerde zijn sonnetbewerking van een Chinees liefdesgedicht ('Je zocht mijn lotusbloesem met je lippen...'). Jules Deelder verwerkte om twee uur 's nachts naar schatting vijftig synoniemen voor het vrouwelijk geslachtsdeel in zijn 'Kutgedicht'. En in een andere entr'acte, een pas de deux van Hans van Manen door Clint Farha en Jane Lord, werd onder meer drooggeneukt op pianomuziek van Prokofjev.

En dan was er Tom Lanoye, die een aantal fragmenten voorlas uit Ten oorlog, zijn geruchtmakende vertaling van de koningsdrama's van Shakespeare. Zijn monologen van 'La Falstaff', de 'drie bruurs York' en 'Risjaar Modderfokker den Derde' dropen niet alleen van de geilheid, de wreedheid en de melancholie, maar werden ook nog eens voorgedragen met een vuur dat meer dan heilig was.

Lanoye spuwde en fleemde, krijste en snikte, en maakte duidelijk dat hij een perfect alternatief is voor de inmiddels legendarische Ten oorlog-uitvoering van de Blauwe Maandag Compagnie. Hoe mooi zou het zijn als hij de komende tijd de theaters af zou gaan met een avondvullend programma waarin hij alleen met al zijn flair en retorisch talent een weg baant door de Rozenoorlogen.

'Verlangen, woede, verval' - het zijn volgens de jonge dichter Lernert Engelberts 'de eeuwige constanten waar dichters van vreten.' De 21-jarige Engelberts, vorig jaar de hekkensluiter, opende met zijn sympathieke huis- en tuinpoëzie ('een postmoderne Frits van Egters' is hij al genoemd) een poëziemarathon die misschien niet spectaculair was, maar wel aanstekelijk en gevarieerd.

Doodstil was het toen de 77-jarige Guillaume van der Graft, de recente winnaar van de driejaarlijkse prijs van het Letterkundig Museum, zijn breekbare liefdesgedichten voorlas. En gegeneerd stil toen de Catweazle-achtige verschijning van Kees Ouwens met onhandige polygoonstem een dappere poging deed om zijn op papier al niet eenvoudige gedichten voor te lezen.

Het meeste applaus kreeg de publiekslieveling Rutger Kopland, die uit zijn nieuwe bundel Tot het ons loslaat een half dozijn geestige en roerende verzen voorlas over onder anderen Abe Lenstra ('Weet je nog hoe hij even met zijn hoofd knikte (-) We hadden verloren voor we het wisten') en Herman de Coninck. Koplands lezing van 'Kaart van een Grieks eiland' was niet de enige keer dat de geest van de vorig jaar overleden Vlaamse dichter en poëzievoorvechter over de Nacht zweefde. Ook Anna Enquist en de vaste presentatoren van de Nacht, Anton Korteweg en Piet Piryns, stonden bij De Coninck stil.

Na Koplands optreden verlieten rond middernacht de eerste bezoekers Vredenburg. De dichters lazen door, en werden afgewisseld door niet altijd even geslaagde entr'actes; vooral de Harlinger Huusvrouwen onderscheidden zich door flauwe grappen en slappe liedjes - ook meligheid kent geen tijd. Anders dan in voorgaande jaren werd er door het voor de helft zeer jonge publiek nauwelijks gedanst; alleen de laatste entr'acte, de Say No More Brassband, kreeg de voeten nog even van de vloer. Maar voor de volhouders was er om drie uur - eigenlijk vier uur - nog een bonus: het slotoptreden van de jonge Utrechtse 'garagedichter' Ingmar Heytze.

Zijn poëzie vol bravoure en mooie oneliners ('sta op en wankel') werd zo vaak onderbroken voor applaus dat hij het jaarlijkse poëziefestijn spontaan herdoopte in de 'Nacht van de Open Doekjes'.