Een gekmakende behoefte aan leed

De Nederlandse Jeugdgroep organiseerde onlangs een congres 'Omgaan met intimiteiten'. Menig jeugdwerker is onzeker geworden over wat kan en wat niet kan. En in scoutinggroepen wordt druk gediscussieerd over hoe een behoorlijke omgang met kinderen toegaat. Ze stellen gedragsregels op om te voorkomen dat iets zou kunnen gebeuren dat niet in de haak is.

“Ook is de afspraak om zo min mogelijk alleen te zijn met een kind. Soms moet je een kind wel even apart nemen. Als het net ruzie heeft gehad of verdrietig is. Dan is de regel nu: zeg tegen andere groepsleiders dat je even apart gaat zitten en waar. En laat de deur open”, zo vertelde Sandra de Geeter, leidster van een scoutinggroep die vorig jaar al een discussieavond belegde om te praten over ongewenste situaties, in Trouw. Ze zegt onder meer: “Je beseft dat ook jij behoort tot die groep mensen die veel met kinderen werken.” Alsof dat een risicogroep is.

Er waren natuurlijk altijd ooms die hun handen niet thuis konden houden. Vooral opgroeiende meisjes moesten dat nogal eens merken en vooral als er wat drank in de man was. Dan gingen de mannenhanden alle kanten op. Dat was meestal niet zo erg, vriendinnen zeiden tegen elkaar dat het 'vreselijk' was, maar de meesten voelden zich half gevleid, half geërgerd en op een bepaalde, niet helemaal vervelende manier, eindelijk erbij horen, bij de volwassenen. Het was normaal.

Er hebben ook altijd situaties bestaan die niet normaal waren - iedereen kan ze met gemak verzinnen. Welk kind is niet vroeger gewaarschuwd voor de kinderlokker, de geheimzinnige figuur die je meelokte met snoep, dat je dus nooit van vreemde mannen moest aannemen. Dat die vreemde mannen werkelijk hun afgrijselijke dingen doen dat is iets waar we de laatste jaren meer dan ooit van doordrongen zijn geraakt. We zijn op onze hoede zoals we het nog nooit geweest zijn. Het gevaar loert overal. De Jolanda-affaire, de Bolderkar-affaire, de geheimzinnige clowns in Roodeschool, de jeugdwerkers die blij en christelijk zingen over een nieuwe aarde en zich vervolgens terugtrekken op de zolder met hun favoriete pupilletje, de leraren die hun eigen opvattingen hebben over een goed contact met leerlingen - seksueel misbruik van kinderen lijkt alom aanwezig.

Het is vast niet erger geworden dan vroeger. Het is wel openbaarder, 'bespreekbaarder' zoals dat heet. Daar is veel goeds aan, het maakt het wellicht makkelijker voor kinderen om iets te zeggen en het maakt het ook makkelijker voor ouders en leraren om zo'n mededeling te horen, te begrijpen, te geloven. De keerzijde ervan is ook duidelijk: onzekerheid van ouders en jeugdleiders en achterdocht alom. Na de Bolderkar-affaire hoorde je veel ouders zeggen dat ze niet meer met hun eigen kind in bad durfden. Waarom ze dat niet meer durfden was eigenlijk onduidelijk, heus niet omdat ze dachten dat ze ineens dingen zouden gaan doen die ze tot nu toe nooit hadden gedaan. Ook niet omdat ze niet wisten wat wel en niet kan, want dat weet geheimzinnig genoeg eigenlijk iedereen en daar bestaat ook bar weinig verschil van mening over. Wat was het dan? Angst voor wat buren, vrienden, ander familie zouden denken? Angst voor wat het kind later zou denken of vinden? Dat laatste is niet helemaal ongegrond, als je denkt aan de kwestie Lancée, de Schiermonnikoogse politieman die door zijn dochter valselijk werd beschuldigd van incestueuze praktijken. Maar dat is wel een uitzondering.

Voor de jeugdwerkers geldt natuurlijk tot op zekere hoogte hetzelfde. Er is helemaal geen reden tot onzekerheid want iedereen weet heus wel wat nog gewoon is en wat ingegeven is door heel andere verlangens en behoeftes dan troost, vriendschap of bescherming bieden. Al zijn er wel wat onduidelijke gebieden: welterusten zeggen, begeleiden bij douchen of baden - je zal de mannelijke onderwijzers en jeugdwerkers de kost geven die spelen dat twaalfjarige meisjes nog gewoon kinderen zijn en dat er niets verkeerds in is als zij erop toezien dat het douchen ordelijk gebeurt tijdens het schoolreisje of kampeerweekend. Meisjes zelf denken daar over het algemeen anders over. Beginnende borsten zijn vaak aanzienlijk geheimer dan hun geheel ontwikkelde soortgenoten.

De meeste situaties zijn echter niet ingewikkeld of onduidelijk. Het kan niet de bedoeling zijn dat voortaan élke jeugdwerker een kind als een potentieel seksobject ziet. Of dat elk kind zichzelf als potentieel slachtoffer ziet.

Het verslag van de discussieavond van de scoutinggroep was vooral interessant omdat het liet zien waar een groot deel van de behoefte om het er nu almaar over te hebben vandaan komt: uit de onderlinge omgang van de jeugdwerkers. Ze vertrouwden elkaar helemaal, lieten ze weten, maar ze zaten wel stikvol bezwaren tegen elkaars manier van werken. De een was te joviaal, de ander te lichamelijk, een derde had een meisje met heimwee te veel aandacht geschonken - nu het mocht hadden ze allemaal wel iets op elkaar aan te merken. Onder het mom van oppassen voor seksueel wangedrag had menigeen een spiksplinternieuw en vlijmscherp wapen om collega's mee te bedreigen. Vooral voor kwaadwillende vrouwelijke jeugdwerkers moeten dit gouden tijden zijn: quasi-bezorgd lekker de mannelijke collega's verdacht maken. Een vorm van dreinerige machtsuitoefening waar vrouwen ontzaglijk goed in zijn.

Natuurlijk zitten er veel prijzenswaardige bedoelingen achter al deze openheid. Maar er zit ook weer zoiets vervelends in van een verplicht 'alles-zeggen' dat al gauw vrij bot is. En die verplichting tot openhartigheid wordt niet alleen de volwassenen, maar ook de kinderen opgelegd. Die moeten zelf 'aangeven' wanneer ze iets te ver vinden gaan, wanneer iets 'geen goed gevoel geeft' et cetera. Dat weet een kind over het algemeen heel goed. Maar als het geacht wordt er almaar op te letten verdwijnt het natuurlijke van dat gevoel, zoals iemand die op dieet is ook niet meer weet of hij honger heeft of niet. Overbewustheid stompt op een bepaalde manier juist af.

Sandra de Geeter gaf daar een mooi voorbeeld van. Ze vertelde dat tijdens een duw-en-trek-spelletje tussen oudere kinderen en groepsleiders een mannelijke leider een meisje beetgreep bij haar T-shirt. Het meisje gleed uit en het shirt vloog omhoog. “Er gebeurde eigenlijk niets bijzonders, maar dat meisje heeft er veel stampij over gemaakt. Ze gilde en krijste alsof ze net was aangerand. Aan die reactie kon je goed zien dat de kinderen er zelf ook gaan raad mee weten. Zij zijn bang. Het meisje moet hebben gedacht: o jee, dít is het dus, help!” Zo is het dus geworden. Verwarde kinderen en op elkaar loerende leiders. Ook die ooms van vroeger maken tegenwoordig 'slachtoffers', in plaats van dat ze gewoon lastig zijn of vervelend. Er is een gekmakende behoefte aan leed en slachtoffers.

Waarom is het toch altijd zo moeilijk om maat te houden, ook, of misschien wel juist, bij goede bedoelingen.

    • Marjoleine de Vos