De langste maand van de eeuw

De Brakke Hond. Driemaandelijks literair tijdschrift met neus. Maart 1998, nummer 58. Uitg. Leo de Haes. Prijs ƒ 15,-

Omdat het dit voorjaar dertig jaar geleden is dat in de politiek de verbeelding aan de macht kwam, laat het Vlaamse literaire tijdschrift De Brakke Hond de meesters van de verbeelding, literatoren, aan het woord over hun politieke opvattingen. Hoe ver gaat hun maatschappelijke betrokkenheid? Moeten schrijvers geëngageerd zijn of juist niet? Dirk Verbruggen (1951), auteur van, onder andere, de roman De liefdeseter, verwoordt het beknoptst wat in feite de meeste van zijn collega's ook vinden. “Schrijvers moeten zich niet echt inlaten met de actualiteit”, schrijft hij. “Boeken die over actualiteit gaan, lossen op in die actualiteit. Ze werken niet, noch als boek, noch als pamflet, integendeel, ze werken maatschappijbevestigend. (...) De stijl is de enige politiek van de schrijver.”

De pleidooien tegen literatuur die zich met actualiteiten bezighoudt, zijn zelden a-politiek. Guido van Heulendonk (1951), romancier en universitair docent Engels, hekelt het gebrek aan politieke belangstelling van zijn studenten. Met een verwijzing naar het aan de macht komen van Hitler in 1933 noemt hij de uitspraak 'kritiek interesseert me niet', zelfs een 'misdadig statement'. Maar dat wil niet zeggen dat schrijvers volgens hem aan politiek moeten doen, of dat hun boeken een boodschap dienen te hebben. “Priesters hebben een boodschap, of politici. Wie een boodschap heeft, moet op de kansel gaan staan of een partij stichten. Schrijvers echter hebben maar één taak: zo briljant mogelijke boeken maken. De rest is secundair.” Van Heulendonk noemt Claus' roman Het verdriet van België 'een schitterend boek', maar niet omdat het een politiek statement bevat. De visie van Claus op Vlaamse collaboratie is voor hem namelijk 'even relevant als zijn visie op Franse kaas' Wat hem betreft mag een auteur wel politieke thema's in zijn werk inbouwen, maar dat maakt zijn boeken niet per definitie beter dan andere boeken. Goede literatuur is, vindt hij, net als alle kunst per definitie geëngageerd, “omdat ze de existentie als onderwerp heeft en, precies door de eigenzinnige benadering ervan, met schoonheid als ultiem doel, uitnodigt of provoceert tot reflectie daarover.”

Volgens actrice, beeldhouwster en schrijfster Geertrui Daem (1952) gaat de politiek ervan uit “dat alles in onze wereld afstandelijk uit te leggen valt, en dan nog wel op een systematische, mechanische, eendimensionale, abstracte, zogenaamd logische oorzaak-gevolgmanier.” Gelukkig rekenen kunst en creativiteit af “met het voorspelbare, het overzichtelijke en bewegingloze, kortom: met het dode, en dit liefst op duistere, chaotische en explosieve wijze. Een ideale politiek moet de grootst mogelijke gelijkheid van mensen nastreven; een ideale kunst de grootst mogelijke ongelijkheid.”

Daems opvatting lijkt in de verte op die van de dichter en essayist J.P. Guépin (1929). In een kort maar doorwrocht opstel legt hij uit dat alle politiek die neerkomt op gelijkheid en de daarop gebaseerde mensenrechten secularisaties zijn van de kern van het christendom. Het geseculariseerde christendom heeft met het echte christendom gemeen dat het leven op aarde een hel is; pas de hemel zal daar een eind aan maken. “De hel op aarde is als antithese de noodzakelijke voorwaarde voor de hemel op aarde. Dit houdt in dat we de hemel op aarde kunnen verhaasten door de hel ondraaglijker te maken.”

Wat in dit nummer van De Brakke Hond nog het meest opvalt, is dat vrijwel alle dertig auteurs die een bijdrage leverden zulke uitgesproken meningen hebben over politiek. Meningen die vaak getuigen van een scherper inzicht dan waarover beroepspolitici beschikken. Zo vat, alweer Dirk Verbruggen, de cultuuromslag van dertig jaar geleden - na een overtuigende sfeertekening van de jaren vijftig waarin het leger, de kerk en de vaders het voor het zeggen hadden - als volgt samen: “Toen brak mei achtenzestig uit. Mei achtenzestig was de langste maand van de eeuw. Ze begon in negentienzesenzestig en eindigde in negentiendrieënzeventig. Geen steen bleef nog op de andere staan.”

Aan zo'n formulering kunnen Van Mierlo en Bolkestein die gisteren in het tv-programma Buitenhof over mei '68 discussieerden, een puntje zuigen.