Alle bleekneuzen naar buiten

NPS Doc: Bleekneusje, Ned.3, 20.42-221.43u.

Rust, reinheid en regelmaat. Daarvoor kwamen tussen 1880 en 1970 ongeveer 500.000 ziekelijke kinderen naar de vakantiekoloniën in de natuur. Vaak waren het kinderen uit sociaal achtergestelde gezinnen, die werden gestuurd door de schooldokter. Het doel was aansterken en aankomen en om dat te bereiken, werden weinig middelen geschuwd. Wie het hardst groeide, kon daarmee prijzen winnen, wie te weinig groeide moest een volgend jaar terug komen.

Eten, slapen, lichaamsbeweging, alles verliep volgens strakke regels. Dagelijks werden de kinderen met groene zeep schoongeschrobd en op luizen gecontroleerd. De jongens werden met een tondeuse kaalgeschoren.

Meestal waren de kinderen voor het eerst ver van huis en voelden ze zich doodongelukkig tijdens deze “onvrijwillige vakanties”, die zes weken duurden. Met historisch beeldmateriaal en interviews met mensen die als kind of groepsleidster in een vakantiekolonie zijn geweest, schetst Ditteke Mensink in de documentaire Bleekneusje de ijzeren tucht van deze vakantiekoloniën. Aanleiding voor de documentaire is een tentoonstelling die vanaf 9 april te zien is in het Openluchtmuseum in Arnhem met de titel 'Alle bleekneuzen naar buiten'.

Gerryt Mulder was tien jaar toen hij in 1948 voor zes weken naar een koloniehuis ging. Hij kreeg de derde prijs, omdat hij acht pond was aangekomen. Voor hem was het de hoofdprijs, omdat het betekende dat hij naar huis mocht. Vooral aan de maaltijden hebben voormalige 'bleekneusjes' vervelende herinneringen. Aan lange tafels met veel pap en gemalen vlees werden kinderen gedwongen hun bord leeg te eten. Wie moest overgeven, kreeg het braaksel gewoon weer op zijn bord.

Van deze vakantiekoloniën bestaat een grote hoeveelheid historisch beeldmateriaal, omdat de koloniehuizen propagandafilms lieten maken om geld in te zamelen. Mensink gebruikte deze archiefbeelden uit verschillende periodes. Helaas vermeldt zij geen jaartallen, waardoor de tijdsvolgorde van de beelden af en toe onduidelijk is.

De beelden doen denken aan propagandafilmpjes van de padvinderij en verzuilde jeugdverenigingen uit het begin van deze eeuw. Gezamenlijke sportieve aktiviteiten in de frisse buitenlucht geven de kinderen een gezonde lichamelijke en geestelijke gesteldheid.

De beelden tonen vrolijke kinderen, die opgetogen een duinpan afrennen en in strakke rijen door het bos marcheren. Tussen de archiefbeelden laat Mensink voormalige 'bleekneusjes' aan het woord. Hun vaak droevige herinneringen zijn volmaakt in tegenspraak met de vrolijke archiefbeelden. Deze tegenstelling brengt een interessante spanning in de documentaire tussen het strakke collectivisme en de individuele beleving.

De documentaire toont de hooghartigheid waarmee de arbeiderskinderen werden bejegend. De militaristische strengheid, waarmee de kinderen hygiëne en beschaving werd bijgebracht, was goed bedoeld, maar gebaseerd op gedateerde pedagogische en medische ideeën. Zo moesten alle kinderen verplicht op hun rechterzij slapen, om het hart, dat aan de linkerkant zit, te ontlasten.

Niet iedereen heeft echter alleen nare herinneringen aan de vakantiekoloniën. Grappig is dat Mensink ook een echtpaar aan het woord laat, dat elkaar heeft leren kennen in zo'n kolonie. Zij herinneren zich voornamelijk elkaar.

De geëmotioneerdheid waarmee de geïnterviewden over de vakanties vertellen, die een onuitwisbare indruk op hen maakten, is opvallend. Mensink slaagt er goed in te laten zien wat het voor een kind betekent om zo lang ver van huis te zijn, in een grote groep, met strenge regels en weinig menselijke warmte.