Woede over AWT-rapport; ADVIESRAAD BETWIJFELT NUT VAN GROTE TECHNOLOGISCHE INSTITUTEN

'SLORDIG werk. Beschadigend voor het ECN. Slecht gefundeerd. De cijfers kloppen niet, men heeft zijn huiswerk niet gedaan en draait de klok terug.'

Dat is het oordeel van prof.dr. F.W. Saris, algemeen directeur van het Energie-onderzoek Centrum Nederland (ECN) over het advies dat de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid (AWT) zojuist heeft uitgebracht over 'Het nut van de grote technologische instituten'. Het rapport behandelt het bestaande en gewenste beleid van de overheid ten aanzien van deze vijf zogenoemde gti's en brengt bovendien de weerslag van een interviewronde onder de voornaamste klanten van de instituten. Wat het ECN betreft wordt met zoveel woorden genoteerd dat dat instituut zich met zijn 850 werknemers vooral bezighoudt met onderzoek waaraan geen behoefte bestaat, maar dat het bestaansrecht zònder die (onnutte) taken twijfelachtig is. Ook over de overige instituten (in volgorde van grootte het Nationaal lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR) met 900 werknemers, het Waterloopkundig laboratorium (WL) met 400 werknemers en het Maritiem research instituut Marin en Grondmechanica Delft, beide met ongeveer 230 werknemers) wordt een hard oordeel geveld, al komen ze er gunstiger van af dan ECN. De overheid krijgt de raad het NLR na het wegvallen van Fokker maar te laten samengaan met een buitenlandse evenknie. Ook de overige gti's hebben met grote boosheid op het AWT-rapport gereageerd: ongefundeerd, slecht beargumenteerd, goed voor de prullenbak. Dertien jaar geleden reageerden zij onder identieke omstandigheden in bijna identieke termen.

ZONDER ENIG NUT

Want het is niet voor het eerst dat het zelfstandig voortbestaan van het ECN door een adviesorgaan van de overheid ter discussie wordt gesteld. In 1985 noemde de Raad van advies voor het wetenschapsbeleid (RAWB, voorloper van de AWT) het - toen nog voornamelijk nucleaire - onderzoek van het ECN 'zonder enig nut voor het bedrijfsleven'. Ook zou de kwaliteit van het onderzoek onvoldoende zijn. Destijds kregen ECN en Marin de raad maar op te gaan in TNO. In het recente advies wordt alleen het Marin nog naar TNO verwezen. WL en Grondmechanica passen beter onder de vleugels van de TU Delft. Voor ECN ziet de adviesraad geen duidelijke toekomst als zelfstandig instituut.

Dertien jaar geleden zag de RAWB de toenemende druk van de overheid op de gti's om 'de markt op te gaan' als een belangrijke bron van moeilijkheden. In het recente advies worden de gevolgen van die druk, die sinds 1983 alleen maar is toegenomen en nog onlangs in de nota 'Kennis in beweging' (juni 1995) een stevig fundament kreeg, opnieuw in wrange termen samengevat. De begrijpelijke druk van de overheid (die een compensatie zoekt voor haar afnemende directe steun) heeft ertoe geleid dat 'hybride' instituten zijn ontstaan die met een onwerkzame dubbelfunctie zijn opgescheept. Enerzijds wordt er strategisch, soms zelfs fundamenteel onderzoek zonder directe toepasbaarheid van ze verwacht in een streven ook in Nederland wat 'technology push' te genereren, anderzijds worden ze gedwongen tot korte-termijndienstverlening aan het bedrijfsleven.

De AWT parafraserend: alsof de overheid niet weet dat het grotere bedrijfsleven, door ervaring wijs geworden, deze twee functies juist zoveel mogelijk gescheiden houdt omdat tussen strategisch onderzoek en ontwikkelingswerk een wereld van verschil gaapt. Het werk voor commerciële afnemers vereist een dienende instelling en kennis van zaken als productietechieken, vormgeving, economische aspecten, veiligheid, gezondheid en milieu. Het strategisch onderzoek staat daar mijlen van verwijderd. Raakt het strategisch onderzoek van bedrijven als Shell en Philips in het stadium van toepasbaarheid, dan wordt de onderzoeksgroep niet zelden in zijn geheel naar een commercieel opererende afdeling overgeheveld.

De AWT realiseert zich, noteert hij, dat de overheid de marktgerichtheid als een goede waarborg ziet voor de overdracht van verworven kennis. Verhoging van de 'kennisintensiteit' van het bedrijfsleven is de primaire taak van de gti's. Daar staat tegenover dat de meeste gti's (het Marin uigezonderd) bij hun commerciële activiteiten in directe concurrentie treden met private ondernemingen die dezelfde taken kunnen uitvoeren. In deze concurrentiestrijd is het voor de gti's weer van belang de verworven kennis en vaardigheden juist niet vrij en wijd over het Nederlandse bedrijfsleven te verspreiden. Het is dus geen wetmatigheid dat marktactiviteiten de kennistransfer vergroten. Anderzijds heeft het bedrijfsleven aangetoond dat ook uit strategisch onderzoek kennis kan worden overgedragen naar commerciële bedrijfstakken.

Door de gti's een dubbelfunctie te geven introduceert de overheid een zekere richtingloosheid bij die instituten en ontneemt zij zichzelf de mogelijkheid de instituten adequaat te toetsen op effectiviteit en efficiëntie. De AWT verwijt de overheid dat zij nauwelijks stuurt, nauwelijks voorwaarden verbindt aan subsidies.

De AWT spreekt zich uit voor een stricte scheiding, een caesuur, tussen marktgericht en 'taakgericht' onderzoek, tussen 'market pull' en 'technology push'. Maar hij tekent erbij aan dat een gti dat puur marktgericht onderzoek gaat doen zich niet langer wezenlijk onderscheidt van een TNO-instelling en dan maar beter onder de TNO-koepel kan worden gebracht. Voor het Marin is dat in de ogen van de AWT de aangewezen weg.

Ook voor het NLR, waarover kennelijk in de interviewronde niet veel positiefs werd opgevangen ('nooit een belangrijke kennisbron geweest', 'nergens uniek in'), ziet de AWT geen toekomst als taakgericht instituut. Maar omdat er, na het verdwijnen van Fokker, eigenlijk geen kennis te verwerven valt waar het Nederlandse bedrijfsleven wat aan heeft (het NLR werkt vooral voor de Koninklijke luchtmacht, de RLD, de luchtverkeersleiding Eurocontrol en ruimtevaartorganisatie ESA) zou overplaatsing naar TNO geen oplossing zijn. Het NLR moet samenwerking zoeken met een buitenlandse gelijksoortige organisatie.

Het is het droevig lot van het Waterloopkundig Laboratorium en Grondmechanica Delft dat hun activiteiten hoog worden aangeslagen, dat zij de weg naar de markt zeer goed vinden, maar dat zij daarin nu juist directe, en in de ogen van de AWT: ongewenste concurrenten zijn geworden van de grote Nederlandse ingenieursbureaus. Die bureaus hebben zich in de loop van de decennia ontwikkeld tot instellingen die ook niet terugdeinzen voor strategisch onderzoek. Er komt bij dat de grote testfaciliteiten van WL en Grondmechanica (golfgoten, centrifuges en dergelijke) hun betekenis enigszins verliezen tegenover de moderne computersimulatie (Hetzelfde geldt trouwens voor de sleeptanks van het Marin). Het is het overwegen waard, meent de AWT, om WL en Grondmechanica samen te brengen in een cluster rond de faculteit civiele techniek van de TU Delft.

Het ECN, dat als voornaamste testfaciliteit de hogefluxreactor van de Europese Unie onder zijn hoede heeft, haalt in de analyse van de AWT bijna driekwart van zijn omzet uit nucleair onderzoek, het gebruik van de researchreactor en het onderzoek aan brandstofcellen. Aan nucleair onderzoek is geen behoefte meer en het onderzoek aan brandstofcellen is de afgelopen jaren in handen gekomen van industriële giganten in de VS. Omdat er in Nederland geen producenten zijn voor brandstofcellen heeft het weinig zin hier door te gaan op die weg. Wat het ECN overigens te bieden heeft, kan ook door bijvoorbeeld TNO of Kema worden gedaan, schrijft de AWT.

MARGINAAL BELANG

Uit zijn rondgang langs het bedrijfsleven heeft de raad niet kunnen afleiden dat de kwaliteit van het onderzoek er hoog wordt aangeslagen. De kennisontwikkeling bij ECN wordt van marginaal belang geacht (Ook van het conglomeraat aan bedrijven en instellingen, waaronder in de eerste plaats ECN, dat op de nominatie stond om technologisch topinstituut 'duurzame energie' te worden, werd de vereiste hoge onderzoekskwaliteit onlangs in twijfel getrokken).

De AWT stelt de continuering van ECN dus ter discussie. ECN's algemeen directeur Frans Saris, overigens nauwelijks een jaar in functie, is daarover des duivels: “ECN doet veel meer aan duurzame energie en minder aan nucleair onderzoek dan de AWT heeft uitgerekend. En dat komt door de market pull. Voor ons onderzoek aan brandstofcellen is wel degelijk belangstelling van het bedrijfsleven, er zijn nota bene contracten met Akzo en DSM, er is samenwerking met Shell. In een recente studie van Arthur D. Little en P.A. Consulting is ons werk heel gunstig beoordeeld. De AWT heeft met twee interviews gewoon een veel te beperkte consultatieronde gehouden, een tevredenheidsonderzoek dat wijzelf hielden onder 25 afnemers viel wèl positief uit.” Overigens maakt Saris zich weinig zorgen over het effect van het AWT-advies, hij kan zich niet voorstellen dat de overheid terug wil naar de tijd van technology push. “Wel duidelijk is dat we de beeldvorming van het ECN moeten veranderen.”