Siberiërs in Chili; AMERIKA VEEL LANGER DAN 11.500 JAAR BEWOOND

DE EERSTE IMMIGRATIEGOLF naar het Noord-Amerikaanse continent heeft wellicht tienduizenden jaren eerder plaatsgevonden dan wetenschappers tot nu toe aannamen. Een vondst van een vroege nederzetting in Zuid-Amerika vervroegd de tijd dat Siberiërs naar Noord-Amerika verhuisden met mogelijk 20.000 jaar.

Volgens de huidige opvattingen zetten de eerste inwoners van Amerika 11.500 jaar geleden, vlak na de laatste ijstijd, hun kamp op in Clovis, New Mexico. Resten van de Clovis-cultuur, die ook elders op het Amerikaanse continent zijn gevonden, worden als het oudste, wetenschappelijk gefundeerde, archeologische bewijs van Noord-Amerikaanse bewoning beschouwd. Er worden wel oudere vondsten gemeld, maar die blijken vrijwel altijd dateringsproblemen op te leveren. Nu is er een oudere nederzetting ontdekt in Monte Verde, 60 kilometer ten westen van Puerto Montt, aan de kust van Chili, bijna 10.000 km verwijderd van het punt waar ooit de Siberiërs Noord-Amerika binnentrokken. Vorige maand bezocht een groep sceptische archeologen de opgraving en deze liet zich overtuigen van de datering. Het onderzoeksrapport zal volgende maand worden gepubliceerd door het Smithsonian Institute, Washington.

Tom Dillehay, van de Universiteit van Kentucky en opgraver van de nederzetting, meent dat het de bewoners enkele duizenden jaren moet hebben gekost om Monte Verde te bereiken gezien de aanpassing aan veranderende klimatologische en geografische omstandigheden en de biologische problemen die daarmee gepaard gaan.

Dillehay is al sinds 1977 met de vindplaats bekend. Als hoofd van de Antropologische Faculteit aan de Universidad Austral de Chile, werd hij dat jaar naar Monte Verde gehaald toen houtkappers er fossiele mastodont-beenderen vonden. Toen Dillehay er begon te graven leverde dat het nodige materiaal op. Desgevraagd meldt Dillehay: “In het begin vonden we beenderen van kameel en mastodont, bewerkte stenen en benen artefacten als ook houten artefacten, vuurhaarden en 55 plantaardige en diverse dierlijke voedselresten. Het ging vooral om speerpunten, bola's en stenen voor slingers om te jagen, maalstenen voor het vermalen van planten en schrapers en messen om vlees, huiden en planten mee te snijden. De benen artefacten betroffen allerhande wiggen en graafwerktuigen. De houten werktuigen en lansen waren voor de jacht terwijl de houten funderingen de resten waren van vervallen en vergane, met huiden bedekte tent-achtige structuren van ongeveer 25 meter lengte. Dertig meter daar vandaan lag een kleinere hut waar resten van 23 medicinale planten werden gevonden die tegenwoordig door de locale Mapucho-indianen worden gebruikt bij buik- en ingewandspijnen. We vonden ook drie voetafdrukken in de modder.”

De vindplaats, die veel rijker en gevarieerder is dan de Clovis-plaatsen - die meestal niet meer dan slachtplaatsen waren - werd (via de C-14-methode) op een ouderdom van 12.500 jaar gedateerd, ten minste 1.000 jaar ouder dan Clovis. En omdat Monte Verde ook nog eens veel zuidelijker ligt dan Clovis, moet men dus veel eerder Noord-Amerika zijn binnengetrokken. Hier ligt een probleem: in die tijd was noordelijk Amerika nog bedekt met een dikke laag ijs zodat migratie onmogelijk was.

Tom Dillehay kan hier sinds kort een verklaring voor geven: migratie naar Amerika heeft zeer waarschijnlijk vòòr de laatste ijstijd plaatsgevonden. Zeer recent is zijn vondst van drie vuurplaatsen in een dieper gelegen laag in Monte Verde, met een ouderdom van maar liefst 33.000 jaar. Ook werden er 26 stenen artefacten gevonden waarvan er in ieder geval zes door mensenhanden zijn vervaardigd. Dillehay: “We weten nu dat de mensen bij hun migratie uit Azië voor de laatste ijstijd eerst doortrokken naar Zuid-Amerika en vervolgens na de ijstijd geleidelijk weer naar het noorden trokken naarmate het klimaat warmer werd. Of de Clovis-mensen inderdaad behoorden tot latere migranten uit het noorden, of tot reeds uit het zuiden terugkerende groepen, is nog volstrekt onduidelijk.”