Roos Theuws' beelden mooi en melancholiek

Tentoonstelling: Roos Theuws. Stedelijk Museum Bureau, Rozenstraat 59, Amsterdam. Di t/m zo. 11-17u. T/m 19 april.

Er klinkt een onheilspellend gebonk door het Stedelijk Museum Bureau in Amsterdam - droog, hard, monotoon en moeilijk thuis te brengen. Het lokt je de zaal door, naar de luidsprekers, om te zien waar het vandaan komt: in de verduisterde achterruimte blijkt een filmpje van een houthakker te draaien. Een getrainde houthakker is het; met ijzeren regelmaat ramt hij zijn bijl in de stam, boven, onder, boven, onder, terwijl de houtwond die ons aangaapt langzaam groter wordt. Hoewel het een tamelijk alledaagse handeling is, heeft het filmpje iets hypnotiserends, door de rustige concentratie van de hakker, door het monotone ritme, door het basale van de handeling ook - de toeschouwer wordt alleen maar opgeschrikt doordat er af en toe een houtsplinter richting camera vliegt.

Op het eerste gezicht is niet erg duidelijk wat dit filmpje, Beg, Scream and Shout I, te maken heeft met de overige werken op de tentoonstelling van de Roos Theuws (1957) in het SM-Bureau - zelfs niet als een van die werken Beg, Scream and Shout II blijkt te heten. Daarin is geen hout te bekennen. Hoofdbestanddeel van nummer II is roofmate, een soort isolatiemateriaal, dat er door zijn vederlichte, hemelsblauwe kleur prachtig en verleidelijk uitziet. Ook Theuws was er blijkbaar van gecharmeerd, want ze heeft het in alle beelden op de tentoonstelling gebruikt. Grote brokken lichtblauwe substantie zijn het, die schijnbaar achteloos op elkaar zijn gestapeld en in een vorm worden gehouden door een dun net van ijzerdraad: een berg met een huisje erop, of een arm, of een vogel.

Doordat de beelden zo nadrukkelijk uit losse stukken bestaan, wordt ook het verband met het filmpje duidelijk. Dat zit 'm in het woord 'brokken'. Theuws heeft er in haar nieuwe werken voor gekozen te worstelen met een aloude paradox: ze probeert beelden te maken die zoveel mogelijk uit losse stukken lijken te bestaan. Die poging wordt direct zichtbaar in twee 'mobiles', ijzeren constructies, waarbij Theuws aan de stangen allerlei verschillende voorwerpen heeft gehangen, zoals een roofmate-bak waar tl-buizen uitsteken, een soort lijkenzak en een beeld dat wel iets van een beest wegheeft.

Natuurlijk is Theuws' brokken-paradox al bij voorbaat opgelost, want uiteindelijk zijn haar werken altijd beelden en geen brokken, hoe graag ze dat ook lijkt te willen. Toch slaagt ze er wel in de suggestie van 'dit-kan-ieder-moment-uit-elkaar-vallen' op te houden. Dat geeft haar nieuwe werken iets melancholieks, zeker als je het vergelijkt met haar vroegere werk, zoals dat bijvoorbeeld was te zien op haar tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in 1994. De meeste beelden daar bestonden uit glad aluminium en roze-oranje scheikunde-slangen, wat ze een koele, onpersoonlijke uitstraling gaf. Daar lijken haar huidige werken een afrekening mee; alsof Theuws haar perfecte wereld in elkaar heeft zien donderen en uit de brokstukken krampachtig een nieuwe probeert samen te stellen. En dat dat niet meevalt, blijkt wel uit de rol van het ijzerdraad: dat is af en toe zo scherp dat het genadeloos in de stukken 'hemel' snijdt.

Theuws' tentoonstelling in Amsterdam is daarmee niet erg geruststellend, maar wel intrigerend. Het mooiste, en meest tragische beeld is Zonder titel (1997), dat bestaat uit zestien zilvergeverfde, samengebonden rioolbuizen, waarop met roofmate twee vleugels zijn gebouwd. Het hangt op het randje van kitsch, dit beeld, door de kwetsbare schuimplastic vleugels, die fier uitsteken uit de brokken roofmate waartussen zich ook nog eens een bijl heeft gevleid. Toch is er vooral een merkwaardig soort ontroering: die combinatie van vleugels, verval en die hemelsblauwe kleur blijft hangen, of je wilt of niet, als een poging tot vliegen die gedoemd is te mislukken.