Procureurs-generaal

Ik verstout mij de opmerking dat in de laatste kolom van het artikel 'Kamer wil geen onderminister meer' (NRC Handelsblad, 25 maart) een onjuistheid is geslopen. Het betreft de zin “verbreding van het college wijst hij ook van de hand. Dat ondermijnt de daadkracht.”

Kennelijk is het mij niet gelukt mijn boodschap goed op uw redactrice Yaël Vinckx over te brengen. Ik heb immers, om uit de gerezen problemen met betrekking tot de kwestie-Steenhuis te komen, zelf aan de minister voorgesteld het aantal pg's tot vijf uit te breiden. Mijn als Kamerstuk gepubliceerde brieven geven hiervan blijk. Het gebrek aan daadkracht waarop ik doelde, had niet te maken met het aantal pg's. Er zijn colleges van B en W, bijvoorbeeld, die groter zijn. Doorslaggevend is of er genoeg werk is en of dat eenduidig verdeeld kan worden. Wel belangrijk is de stemprocedure. Immers als er gestemd moet worden - liefst zo weinig mogelijk - moet er ook een beslissing vallen. Stel nu dat er bij vijf pg's één ziek of buitenslands is, en de stemmen staken? Als er dan geen doorslaggevende stem is, is er geen beslissing, hoe nodig die op dat moment ook kan zijn. Dat tast de daadkracht wel aan.

Tenslotte heb ik benadrukt blij te zijn dat de Tweede Kamer in meerderheid de regeling van de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid onderschrijft en dit terwijl die regeling nu eindelijk 150 jaar onduidelijkheid wegneemt. Dat die opmerking is weggevallen, betreur ik.