Overheid moet meer doen voor de film

In de internationale vakpers wordt de loftrompet gestoken over de Nederlandse film. Maar de filmmakers werken nog steeds onder abominabele omstandigheden, stelt Ryclef Rienstra.

De Nederlandse film staat weer in de internationale belangstelling nu 'Karakter' een Oscar heeft gewonnen. Het vakmanschap en talent van regisseur Mike van Diem is bewezen, de Oscar is zijn ticket to ride in Hollywood. Twee jaar geleden overkwam regisseur Marleen Gorris hetzelfde. De Oscar voor haar film Antonia maakte in één klap een eind aan een sappelend bestaan als filmmaker in Nederland. Sedertdien is zij vrijwel onafgebroken in Engeland en Amerika aan het werk. Het regiedebuut van Jeroen Krabbé, de film Left Luggage won onlangs al belangrijke prijzen op het filmfestival van Berlijn en tijdens het afgelopen International Film Festival Rotterdam was de Nederlandse film De Poolse bruid van Karim Traïdia de favoriet van het publiek. Deze resultaten blijven niet onopgemerkt en in de internationale vakpers wordt al gesproken van een Dutch film renaissance. Kortom, het lijkt lente voor de Nederlandse film. Helaas, de werkelijkheid is minder zonnig.

Het nationale en internationale succes van de Nederlandse films staat in schril contrast met de uiterst moeilijke omstandigheden waaronder deze tot stand komen. Het Nederlands Fonds voor de Film speelt een cruciale rol als eerste financier van nieuwe projecten. Dankzij de financiële interventie van dit fonds vertoont de Nederlandse film de laatste jaren naast kwaliteit ook een opmerkelijke diversiteit. Het probleem is echter dat het Filmfonds financieel onvoldoende is toegerust om zijn sleutelrol te blijven spelen. Continuïteit kan het fonds de makers niet bieden en daarom worstelt iedere regisseur en producent in Nederland zich van film tot film.

Het marginale bestaan van de Nederlandse film heeft zo lang kunnen voortduren omdat de gemiddelde filmmaker bereid was zich in dit lot te schikken. Met weinig middelen wist het Filmfonds een aantal makers op weg te helpen. Steeds vaker echter nemen vakmensen de wijk naar het buitenland. Niet alleen Hollywood lonkt. Ook dichter bij huis zijn volop mogelijkheden om talent en vakmanschap om te zetten in films. Met grote regelmaat zijn Nederlandse regisseurs en producenten aan het werk in naburige landen zoals Duitsland en Groot-Brittannië. Op het eerste gezicht lijkt dit positief. Nederland als kweekvijver voor internationaal aansprekend talent. Maar als wij in ons land een eigen, Nederlandstalige filmcultuur willen behouden, dan kunnen we niet achterover leunen en ons tevreden stellen met af en toe een Oscar.

Een bloeiende nationale filmcultuur vereist een actievere opstelling van de overheid en wel op korte termijn omdat de Nederlandse filmmaker achter dreigt te raken bij zijn buitenlandse collega's. In de meeste Europese landen is de audiovisuele industrie als een sterke groei-industrie onderkend. De internationale vraag naar audiovisuele producties, waaronder vooral ook speelfilms, is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen en het einde van deze groei is nog lang niet in zicht. Begin april zal in het Engelse Birmingham onder auspiciën van de Europese Commissie een werkconferentie plaatsvinden over nieuw te nemen maatregelen ter versterking van de Europese audiovisuele industrie. De ervaring met dergelijke maatregelen is dat de afzonderlijke lidstaten zich niet tevreden kunnen stellen met de gedachte dat zij op deze wijze een bijdrage leveren aan de versterking van de Europese identiteit. Alleen de landen die een sterke nationale filmindustrie hebben weten op te bouwen blijken profijt te hebben van een Europese aanpak. Het stimuleren van de nationale filmbedrijvigheid kan daarom niet worden overgelaten aan de Europese Commissie. Een actieve rol van de nationale overheid is ook hier een absolute voorwaarde.

Op 1 april zal de Tweede Kamer debatteren met de bewindslieden Wijers, Vermeend en Nuis. Onderwerp is de structuurversterking van de Nederlandse filmindustrie. Gesproken zal worden over het opzetten van een kleine, professionele instelling die de brug moet slaan tussen investeerders en filmproducenten. Een eenmalige, risicodragende bijdrage van 15 miljoen gulden door het ministerie van Economische Zaken, tezamen met enkele specifiek op film gerichte fiscale stimuleringsmaatregelen, zullen een katalyserend effect moeten hebben op investeerders en filmproducenten. Als de voortekenen niet bedriegen, zullen dankzij dit initiatief met het in Nederland voorhanden talent en vakmanschap films gemaakt kunnen worden die niet alleen een publiek weten te vinden op de nationale en internationale bioscoop- en televisiemarkt, maar die ook nog geld opbrengen.

Blijft de vraag of de thans door de bewindslieden voorgestelde maatregelen voldoende zullen zijn om de noodzakelijke trendbreuk te bewerkstelligen. Alleen al in ons directe buurland, de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen wordt sinds 1991 jaarlijks een bedrag van ruim 60 miljoen DM in de filmindustrie geïnvesteerd. Daarnaast zijn aanzienlijke investeringen gedaan in de facilitaire infrastructuur. Op de smeulende resten van de eens bloeiende kolen- en staalindustrie heeft zich hier in korte tijd een schone industriële revolutie voltrokken. Het succes hiervan doet zich in ons land steeds meer voelen. Want waar geld is, lekt werk naar toe en daarmee kennis en vakmanschap. Juist de laatste tijd komen vanuit Noordrijn-Westfalen initiatieven om de samenwerking met buurland Nederland uit te breiden. Onze filmmakers staan echter met vrijwel lege handen en dan valt er niet veel samen te werken. Een ander voorbeeld is Denemarken. In filmcultureel opzicht vergelijkbaar met Nederland. Een klein taalgebied en dus een kleine thuismarkt, alle voordelen van een Scandinavische omgeving ten spijt. In dit land investeert alleen al het ministerie van Cultuur jaarlijks zo'n 70 miljoen gulden in de nationale filmcultuur. Dat is meer dan tweemaal zoveel als in Nederland. Met onder meer als resultaat dat het aandeel van de Deense film op de thuismarkt ruim 17 procent bedraagt en Deense filmmakers op grote schaal participeren in internationale coproducties. Opmerkelijk is dat in beide voorbeeldlanden de samenwerking met de publieke omroep hoog wordt aangeslagen. Van de publieke omroep wordt daar een aanzienlijke investering gevraagd in de nationale filmproductie. Niet alleen om deze te ondersteunen, maar vooral omdat men daarmee de kijkers aan zich weet te binden. Bovendien wordt onderkend dat het stimuleren van onafhankelijke productiebedrijven een belangrijke kwaliteitsimpuls tot gevolg kan hebben. Zij staan dicht bij de markt en kunnen snel inspelen op trends en flexibel gebruik maken van beschikbaar talent.

Voor Nederland valt hiervan nog wel iets te leren. Het bestaande verstandshuwelijk tussen film en publieke omroep zou met een flinke dosis passie om te buigen moeten zijn in een samenwerking die voor beide partijen aanzienlijk meer vruchten afwerpt. Het onlangs gestarte Telefilmproject, waarbij de publieke omroep en onafhankelijke producenten in samenwerking zes speciaal voor televisie-uitzending bestemde speelfilms zullen maken, liep bijna stuk op gebrek aan financiële middelen bij de omroep. Dankzij een interventie van het ministerie van OC&W, het Filmfonds en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties kon het project, althans voor een jaar, alsnog van start gaan.

Deze gang van zaken, afgezet tegen de wetenschap dat bij het Coproduktiefonds Binnenlandse Omroep, dat door de omroepen is opgezet om de samenwerking tussen filmmakers en publieke omroep te stimuleren, een stille reserve van ruim 50 miljoen gulden ligt te sudderen, getuigt niet bepaald van de passie die werkelijk nodig is. Dit neemt niet weg dat de toekomstige regeringspartijen zich nog eens goed achter de oren moeten krabben alvorens de Nederlandse publieke omroep nog verder te scheren en publieke netten af te schaffen. Een versmalling van de publieke omroep zal onvermijdelijk ernstige gevolgen hebben voor de armslag die de nationale filmbedrijvigheid nodig heeft.