Ons Duitse dienstmeisje

Het is vier uur 's nachts. Ik droom van een voetbalwedstrijd. De ballen knallen steeds harder in het net. Ineens staat mijn moeder in de slaapkamer van mijn zusje en mij. Ze heeft haar kamerjas over haar pyjama aan. “Jullie moeten gauw opstaan en naar beneden komen!” zegt ze, “er is iets aan de hand.”

Nu hoor ik ook dat er een heleboel vliegtuigen in de lucht zijn, er wordt onafgebroken geschoten. Dan staan we allemaal voor het raam van mijn grootmoeders woonkamer op de eerste verdieping. Buiten is het al licht geworden.

“Het zijn waarschijnlijk de Engelsen die hier met de Duitsers aan het vechten zijn”, zegt mijn vader geruststellend. De radio staat nog niet aan. We zien een groot vliegtuig met een hakenkruis op het staartstuk laag overvliegen, het scheert rakelings over het dak van ziekenhuis Bronovo, een sliert zwarte rook hangt achter het toestel. Dan harde slagen en even later een klap die het huis op zijn grondvesten doet schudden. We horen glasgerinkel bij de buren, onze ruiten blijven heel.

“Dat ding is op Bronovo gevallen!” roept mijn moeder. We gaan allemaal naar de kelder. Ook Elly, ons Duitse dienstmeisje, komt van boven gehold. Grootmoeder, met haar stok, komt langzaam achteraan, de poes loopt met haar mee.

Opgewonden vertelt Elly, in haar gebroken Nederlands, dat ze een Duits vliegtuig heeft gezien dat bommen liet vallen. “Het waren net zwarte keuteltjes, ein, zwei, drei, vier, fünf...” Dat van die keuteltjes vinden wij, kinderen van drie, acht en negen jaar, heel erg grappig.

In een dagboekje dat ik in die tijd bijhield, lees ik dat wij allemaal zaten te trillen en te bibberen in de kelder, die door vader van te voren versterkt was. Van angst, maar misschien ook van de kou, want niemand had zich aangekleed.

“Es ist Krieg”, zegt Elly. Ze vertelt dat ze nog weet van de vorige grote oorlog. “Da war ich so ein klein Hüpfelchen!” Ze wijst een halve meter boven de grond aan. Ik kijk vol genegenheid naar tengere, kleine Elly met de grote, lichtgrijze ogen, de kleur van kiezelstenen. Elly, die uit Düsseldorf komt, en die verkering heeft met Kees, een Haagse buschauffeur, is aardig. Ze heeft last van heimwee en is nogal eens ziek.

Een paar uur later staat iedereen op straat. Er heerst een sfeer van verbroedering onder de buurtbewoners. We horen dat de Alexanderkazerne door de bommen is getroffen, er schijnen veel doden te zijn. Het ziekenhuis is niet geraakt. De vader van een vriendinnetje staat hard te praten. “Dit komt nou allemaal door al die anti-Duitse propaganda!” roept hij. Deze opmerking valt niet in goede aarde bij de andere mensen, dat is duidelijk te merken. 's Avonds vraag ik aan vader wat het woord 'propaganda' betekent. Mijn ouders denken dat de vader van mijn vriendinnetje een NSB'er is.

Op 14 mei staan we 's avonds op straat te kijken naar een loodgrijze wolk in het zuidoosten. Mijn moeder huilt. Kees, Elly's vrijer, een breedgeschouderde man, vrij klein van stuk, staat daar ook. Zwijgend staart hij voor zich uit. Elly is thuisgebleven. Ze heeft koorts, hoest en ligt in bed.

Een week later ga ik weer naar school. Anneke met de rossig-blonde pijpenkrullen waarin altijd een grote strik prijkt, is er ook. Ik zit naast haar in de bank. Ze woont in Rijswijk en vertelt dat ze een dode Duitse soldaat in de Vliet heeft zien drijven. “Hij had z'n parachute nog aan.” Anneke vertelt nog meer details, maar ik kan er nauwelijks meer naar luisteren. Het beeld van die Duitser die aan zijn parachute naar beneden komt, doodgeschoten wordt en in de Vliet terechtkomt, laat mij dagenlang niet los.

Wat er op 10 mei met de Nederlandse soldaten in de Alexanderkazerne is gebeurd, krijgen we niet te horen, in de kranten staat niets.

Wat later krijgen we inkwartiering van Duitse soldaten. Eerst komt Erich. Hij betrekt Elly's vroegere kamertje, want Elly is vertrokken. Erich is blond en heeft een vriendelijke oogopslag. Als Erich met verlof gaat, neemt hij als souvenir een paar grote klompen mee. Een paar weken later is hij weer terug: “Sie waren viel zu gross!” zegt hij teleurgesteld en stopt de klompen in moeders handen.

Na Erich komt Emil, een stuurser kijkend persoon. Maar: “'t Is ook wel een goeie jongen”, zegt mijn moeder. “Hij komt van 't boerenland en vindt het hier, geloof ik, vreselijk.”

Kees komt nog een keer langs om te vragen of we Elly's adres ook weten. Nee, dat hebben we niet. Teleurgesteld druipt hij af. Het is uit met Elly, dat is duidelijk.

Op een dag zie ik haar bij de bushalte staan, gearmd met een Duitse officier. Aarzelend steek ik mijn hand op. Kent ze me nog? Ze ziet me, glimlacht even en wendt haar hoofd af.