MARX HOUDT VAN HOLLAND

Hij deed aan drie Olympische Spelen mee en won in 1995 zilver op de 200 meter bij de WK indoor. Atleet Troy Douglas komt uit het kleine Bermuda, maar gaat nu voor Nederland sprinten. “Het mooiste van dit land zijn de vrouwen op de fiets in de lente.”

Trainer Henk Kraaijenhof vergeleek hem in 1992 met komiek Groucho Marx. Want hij vond Troy Douglas zo lelijk lopen. Maar hij was ook verbaasd dat de kleine atleet uit Bermuda met dat gebrekkige mechanisme toch zo'n snelheid kon ontwikkelen. “Als je denkt dat het beter kan, moet je me helpen”, zei Douglas tegen de gerenommeerde sprinttrainer.

Het was het begin van een hechte samenwerking. “Henk gelooft in zijn atleten en hij gelooft in zichzelf”, vertelt Douglas. “Ik heb veel van hem geleerd. Henk zegt dat je het geluk moet pakken. Als de deur openstaat, ga je. Bij de WK indoor van 1995 stond ik aan de start van de halve finale tussen olympisch kampioen Donovan Bailey en de Zweed Torbjörn Eriksson. Toen begreep ik ineens wat Henk bedoelde. Dit was mijn kans. Ik voelde een enorme agressie. Ik eindigde als eerste en heb ontzettend lopen lachen.”

De sprinter volgde Kraaijenhof naar Nederland. In een Haags hotel trof Douglas vijf jaar geleden de dochter van de eigenaar achter de balie. Dezelfde avond ging hij met haar mee naar een optreden van Golden Earring. Later bij North Sea Jazz werd hij echt verliefd. Ze trouwden vorig jaar september en wonen aan de langste laan van Europa, de Laan van Meerdervoort. Zijn vrouw vroeg zich af waarom hij nu ook niet voor Nederland ging uitkomen. Zo zou hij kunnen profiteren van de voordelen die NOC*NSF en de atletiekunie KNAU topatleten bieden.

Vorige week sprak de internationale atletiekfederatie IAAF het verlossende woord: Troy Douglas mag voor Oranje lopen. Het geeft hem een speciaal gevoel. “Ik ga straks veertien miljoen mensen vertegenwoordigen. De man die daar met zijn hond op straat loopt en de kinderen in de speeltuin.” Hij denkt het nodige voor Nederland te kunnen betekenen. “Jullie hebben topatleten, maar daar zitten geen sprinters bij. Nelli Cooman was de laatste topper. Here I am. Give it to me. Ik wil andere sprinters graag de weg wijzen.”

De ervaren Douglas liep tegen alle grote sprinters in de wereld, zoals Michael Johnson, Fredericks, Drummond, Boldon en Bailey. Vorig jaar miste hij bij de WK in Athene op een haar na de finale op de 200 meter. Zijn grootste succes is het WK-zilver op de 200 meter indoor in 1995. De tijden van Douglas kunnen niet als nationale records worden erkend omdat hij wel toestemming heeft voor Nederland uit te komen, maar nog geen Nederlander is. Het paspoort vraagt hij misschien nog weleens aan, maar hij vindt dat niet zo belangrijk. Wel heeft hij op de 200 (20,30 - Ned. record: 20,59) en 400 meter (45,26 - Ned. record: 45,68) beduidend sneller gelopen dan welke Nederlander dan ook. En Douglas kan nóg sneller, denkt hij. Véél sneller zelfs.

Dat zou opmerkelijk zijn voor een atleet van 35 jaar. “Kijk, dáárom kan ik geen sponsors vinden”, reageert Douglas. “Carl Lewis vonden ze ook te oud, maar hij werd weer olympisch kampioen in Atlanta. Evander Holyfield was te oud, maar hij versloeg Mike Tyson. Merlene Ottey, Linford Christie. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Leeftijd is niet belangrijk. Het gaat er om hoe je met je lichaam omgaat en of je er alles voor wilt doen. Opoffering. Ik zie lopen als een kunst. Je moet alles op het juiste moment doen. Soms maak je jezelf kapot. Ik heb het goede gevoel gevonden. Voor dat gevoel doe ik het allemaal nog. Ik moet nu nog zorgen dat de eerste helft van mijn race verbeterd. Mijn acceleratie is uitstekend, de beste in de wereld.”

Hij hoopt dat de Nederlanders hem in de armen zullen sluiten. “Ik voel me als topsporter op hetzelfde niveau staan als de broers De Boer, Seedorf, Davids, Krajicek. Zij krijgen meer aandacht omdat ze glamoursporten beoefenen. Maar Krajicek is op de wereldranglijst de nummer negen, ik sta op de 200 meter bij de top vijftien.”

Douglas zegt geen passant te zijn in Nederland. Hij voelt zich er thuis en wil er blijven wonen. Het gesprek wordt in het Engels gevoerd, maar de atleet spreekt ook al heel behoorlijk Nederlands. “Je moet de taal leren om de cultuur van een land te kunnen begrijpen.” Hij volgde een jaar lang een taalcursus. Een nadeel vond hij dat zijn klas te groot was. “Jezus, er waren te veel mensen”, zegt Douglas in grappig Nederlands. “Ik had liever privélessen gehad. Dan kan je beter aan je fouten werken, stap voor stap. Zo gaat dat in de atletiek ook.”

“Wat er zo prettig is aan Nederland? Dit”, zegt hij, zittend in een goed gevuld Haags Grand Café. “Het is vijf uur op een doordeweekse middag en de mensen zitten rustig in het café. Dat gebeurt op Bermuda niet. Het is hier really gezellig!” En Nederland heeft mooie vrouwen, stelt Douglas. “Kijken naar vrouwen is een hobby van me. Mijn eigen vrouw weet dat. Ik kijk ook alleen maar. Het mooiste van Nederland zijn vrouwen op de fiets in de lente. Dat is fantastisch, die bewegingen, zo vrouwelijk. Toen ik hier voor het eerst een vrouw op een fiets zag, heb ik meteen mijn broer op Bermuda gebeld. Shit, man.”

Hij vertelt dat Bermuda een geweldig land is. Een tropisch paradijs voor golfers, tennissers en zonaanbidders. “Maar wij zijn klein. Er wonen maar 60.000 mensen. We liggen daar in de Atlantische Oceaan ook te ver van de wereld. New York is op een uur vliegen het dichtste bij. Wie van negen tot vijf werkt, kan er uitstekend leven. Maar voor een atleet met ambities is het moeilijk. Er worden geen risico's genomen, sporten gebeurt na het werk. De hoge mensen investeren liever in een vestiging van een groot bedrijf dan in Troy Douglas. Dat levert misschien een miljoen dollar per jaar op en die atleet niets. Maar dat is een foute gedachte. Sportsuccessen zijn voor elk land belangrijk. Het geeft het volk een goed gevoel en een topsporter is een voorbeeld voor de jeugd. Dat is ook veel waard.”

Eén medaille won het piepkleine Bermuda in de olympische historie, brons bij het boksen in 1976. Maar de verantwoordelijke zwaargewicht, Clarence Hill, is thuis al lang geen held meer. Hij raakte op het slechte pad en belandde achter de tralies. Douglas: “De laatste keer dat ik op Bermuda was, was hij uit de gevangenis. Maar het gaat bij hem in en uit. Hij is niet meer te redden, denk ik. De overheid had na de Olympische Spelen verantwoordelijkheid voor hem moeten nemen. Hij was ineens een bekend persoon en had geen hoge opleiding gehad.”

Cricket is de populairste sport op het eiland en was ook de eerste liefde van Douglas. Als kind speelde hij het elke dag op straat. “Ik was er niet erg goed in”, vertelt Troy, de jongste van zes kinderen. “Toen ik zestien was, hoopte ik in het provincie-elftal te worden gekozen. Want een vriend van mij was aanvoerder. Hij benoemde mij als waterjongen. Ik was woedend, heb een week niet tegen hem gesproken.” Thuis adviseerde zijn broer hem te gaan hardlopen. “Ik kon goed rennen. Maar ik haatte het!” Hij kreeg er plezier in toen hij, op blote voeten, goede resultaten boekte bij schoolwedstrijden.

Later trok hij naar de Verenigde Staten om te lopen, zoals een van zijn broers in Australië ging cricketen. “Als je bij ons in de sport meer wilt bereiken, moet je wel naar het buitenland. Ik heb een neefje van tien dat goed kan voetballen. Dus moet hij straks maar naar Nederland komen.” Bij de WK indoor van 1989 in Boedapest ontmoette hij trainer Henk Kraaijenhof voor het eerst. “Henk had geen oog voor me, twee jaar later in Madrid weer niet. Ik was kwaad. Als jij mij niet ziet staan, zie ik jou ook niet!”

Pas tijdens een trainingskamp in Spanje in 1992 was er het eerste echte contact en had Kraaijenhof opmerkingen over de belabberde loopstijl van Douglas. De atleet sloot zich uiteindelijk bij de groep van de lange Nederlander aan. Zijn ploeggenoten zijn niet de minsten: onder anderen de oude koningin van de atletiek, de Jamaïcaanse Merlene Ottey, de Belgische topsprinter Patrick Stevens en de Surinaamse 800 meter-loopster Letitia Vriesde. “Merlene is de reden dat ik nog loop”, zegt Douglas. “Na de Olympische Spelen van Barcelona wilde ik stoppen. Ik had alles bereikt wat ik wilde bereiken. Je kan nóg harder, zei Merlene. Ik keek naar Henk en die zei: natuurlijk, natuurlijk. Ja, waarom niet, dacht ik toen.”

Hij wil straks een trainer zoals Kraaijenhof worden. Douglas: “Ik wil een Nederlandse wereldkampioen op de sprint produceren. Waarom zou dat niet kunnen? Het is alleen een mentaal probleem. Het talent is er. Laat al die mensen die zeggen dat het onmogelijk is maar praten. Dat moet je als atleet omzetten in positieve energie. En je moet investeren, net zoals Heineken en Shell dat doen. Atletiek is ook business.”

Douglas traint al twee keer in de week een groep atleten bij het Amsterdamse AAC, met onder anderen de Nederlandse kampioenen Asante en Tilburg. Met Dennis Tilburg wil Douglas de estafette voor Nederland gaan lopen. “Miguel Janssen moet starten, ik volg als tweede, Patrick van Balkom is de beste in de bocht en Dennis op het laatste rechte eind. Dat is mijn Dreamteam. En we hebben ook nog een goede reservebank.” Een tijd van 38,8 moet mogelijk zijn, zegt hij. Het zou een flinke verbetering van het Nederlandse record (39,4) zijn.

“Met die 38,8 komen we dit jaar bij de EK in Boedapest bij de topvijf”, voorspelt de optimistische Douglas. “We moeten eerst aan elkaar wennen en veel oefenen. Die estafetteploeg zal deuren openen. Het kan voor Nederland dé springplank naar grotere successen worden.”