Gevoelige vingertik van de VN

In de Verenigde Naties wil Nederland altijd de braafste van de klas zijn. Maar in Genève is de Nederlandse regering deze week gevoelig op de vingers getikt over het gebrek aan aandacht voor rassendiscriminatie.

ROTTERDAM, 28 MAART. Het rapport komt zes jaar te laat. De gegevens zijn oud. Vertegenwoordigers van Justitie en Volkshuisvesting komen niet opdagen. Belangrijke vragen stranden in verlegenheid. De achttien leden van de VN-commissie ter uitbanning van rassendiscriminatie, juristen, sociologen en diplomaten, zeggen na de hoorzitting in Genève dat Nederland niet zo laks mag blijven.

“Je kunt in goed fatsoen informatie over rassendiscriminatie niet laten sloffen”, zegt prof.dr. Theo van Boven, lid van de VN-commissie. Om het jaar toetst deze commissie de houding van de 150 lidstaten die het Verdrag ter uitbanning van rassendiscriminatie hebben ondertekend.

Van Boven: “Ik betwijfel of Nederland klachten over racisme wel ernstig genoeg neemt. Er zijn wel goede wetten, maar de regering houdt onvoldoende toezicht op naleving ervan. En dat terwijl de klachten over rassendiscriminatie verontrustend toenemen.”

Het VN-verdrag uit 1965 was vooral bedoeld tegen de apartheid en maar weinig ondertekenaars zagen toen in dat de tekst ooit nog eens tegen het eigen beleid in stelling kon worden gebracht. Maar dat is nu, net als in 1990, opnieuw gebeurd.

Op 13 februari 1996 heeft minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) met “het schaamrood op de kaken” de Kamer betere informatie beloofd, maar zijn ambtenaren kunnen twee jaar later in Genève geen gegevens presenteren over registratie van rassendiscriminatie door de politie.

En juist dat is - samen met de traagheid van het openbaar ministerie - een van de voornaamste klachten van de VN-commissie naast discriminatie op de arbeidsmarkt, bij huisvesting en de groei van 'witte' en 'zwarte' scholen, terwijl de regering een multiculturele samenleving voorstaat.

In Rotterdam krijgen agenten op surveillance een speciaal handboek mee voor aangifte van rassendiscriminatie, maar die informatie wordt nog slecht verwerkt. Computers van de politie zijn volgens inspecteur R. Visser meer een 'bedrijfsprocessysteem' dan een 'informatiesysteem'. “Bij mishandeling wordt al vlug code 300 geschreven en wordt zelden nagegaan of er ook racistische elementen in het spel zijn. Die kritiek van de VN lijkt me terecht.”

In samenwerking met Radar, een van de veertig antidiscriminatiebureaus in Nederland, heeft Visser de politie in Rijnmond meer bewust willen maken.

Toch bestaat er een grote 'onderrapportage'. Eén op zeventien gevallen komt op tafel, zegt men in Rotterdam. Als het erop aankomt een geval van discriminatie aan te geven, blijken burgers zich vaak terughoudend op te stellen.

J. van Donselaar, politicoloog aan de Rijksuniversiteit Leiden, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken aan de hand van een kleine steekproef onder allochtonen voorgerekend dat slechts één op de 42 gevallen bekend wordt, maar hij stelt dat getal naar beneden bij in de richting van de Rotterdamse uitkomst.

“Er was bij de politie een mentaliteit zo van 'niet alles is discriminatie, vrouwtje, morgen ziet de wereld er weer heel anders uit' ”, zegt Cyriel Triesscheijn, directeur van Radar, “Dat is verbeterd, maar het heeft nog geen prioriteit en er is onvoldoende deskundigheid. Het is ook uiterst moeilijk om discriminatie te bewijzen. Getuigen krijgen vaak koude voeten, omdat zij repercussies vrezen.”

Visser valt hem bij: “We lopen ook tegen een zekere verharding aan. We hebben met jongeren van etnische minderheden hier in Rijnmond van alles geprobeerd, fietstochten georganiseerd van Stockholm tot Lourdes. Toch daalt de jeugdcriminaliteit niet. Dan zie je als reactie een verschuiving van preventie naar meer repressieve actie.”

Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten vraagt zich af of openbaar ministerie en politie in zaken als moord, aanrandingen, mishandeling en vandalisme wel voldoende nagaan of daarbij ook wordt gediscrimineerd. Volgens coördinator M. van der Linde van het comité zijn in 1996 bij de 135.000 zaken die het openbaar ministerie in Amsterdam behandelde slechts 16 meldingen geweest van een racistische bejegening. Hij noemt dat cijfer verontrustend laag. “Komt het door een gebrek aan kennis of door een gebrek aan bereidheid bij het OM of is het een combinatie van die twee? De leden van het OM zullen er een beter oog voor moeten ontwikkelen.”

Volgens Van der Linde blijven ook politici in gebreke. Wat is het effect van een uitspraak van minister Sorgdrager: 'Meeste asielzoekers uit Irak blijken vaak mafiosi'?” Of de correctie daarop van het ministerie van Justitie, die verscheen onder de kop: “Weinig 'nep-Irakezen' onder asielzoekers”. Of een uitspraak uit 1994 van hoofdcommissaris Nordholt dat er in Amsterdam 10.000 illegale Ghanezen verblijven, die banden onderhouden met de criminaliteit? Van der Linde: “Die uitspraken, ook van ambtenaren en Kamerleden, worden gretig door de publieke opinie overgenomen, maar het schaadt leden van minderheidsgroeperingen, terwijl de regering de verplichting heeft onder het Verdrag ter uitbanning van rassendiscriminatie een informatiebeleid te voeren dat vooroordelen wegneemt”, aldus Van der Linde.

Tijdens de week tegen het racisme heeft de vakcentrale FNV een klachtenlijn geopend. Er kwamen die week 345 telefoontjes binnen en 230 werknemers hadden discriminatie aan den lijve ondervonden door scheldpartijen, pesterijen, grappen en vijandigheid op het werk. Bijna niemand was echter naar de werkgever gegaan om een klacht in te dienen. Federatiebestuurder H. Muller zegt dat ziekten en ontslag vaak volgen op de racistische bejegening op het werk. Hij wil dat bedrijven in hun CAO's een bepaling opnemen tegen discriminatie en racisme.

De meeste meldpunten en antidiscriminatiebureaus geven in hun jaarverslagen aan dat wetgeving en regelgeving sterk verbeterd zijn, maar dat daardoor een mentaliteit is ontstaan dat het 'in Nederland allemaal wel goed zit'.

“Bij ons wordt niet zo snel met een molotovcocktail gegooid. Discriminatie is hier misschien minder zichtbaar dan in buurlanden, maar uitbuiting en verwaarlozing kunnen op den duur uitgroeien tot een structureel probleem. Die signalering uit Genève kan niet ernstig genoeg worden genomen”, zegt Triesscheijn van Radar.