Gebarsten façades in wat ooit een socialistisch architectuurwonder was; Paleizen voor de proletariërs

De Stalinallee was de trots van de DDR. De monumentale architectuur moest als lichtend voorbeeld voor de hele republiek dienen. Arbeiders woonden hier niet in huurkazernes, maar in luxe appartementen. Totdat beton en monotonie de nieuwe maatstaf werden.

Vergane glorie in wat de Oost-Berlijnse 'Rue de Rivoli' had moeten worden.

* Die Stalinallee - Geschichte einer deutschen Strasse. Herbert Nicola, Alex- ander Obeth. Verlag für Bauwesen, Berlin. ISBN 3-345-00605-7. 78 Mark.

** Mit Brecht durch Berlin. Michael Bienert. Insel Verlag. ISBN 3-458-33869-1. 17,80 Mark Hun driekamerappartement aan de Stalinallee hadden ze vlak na de oorlog bij een loterij gewonnen. De flats aan de imposante boulevard in het oosten van Berlijn moesten toen nog worden gebouwd. Maar de familie Trott prees zich gelukkig. Zij waren een uitzondering. Alle andere bewoners hoorden tot de elite van de socialistische heilstaat.

“Waar we konden, hebben we geholpen bij de bouw van de straat”, zegt Klaus Trott. “Na afloop van het werk en tijdens het weekeinde ruimden we de puinhopen weg en zochten we de bruikbare stenen van gebombardeerde huizen. Vlak na de oorlog was er geen materiaal te krijgen. De hele Stalinallee is gebouwd met schoongemaakte brokken puin.”

Toen ze de woning in 1953 betrokken, was hij dertig. Nu is Trott met pensioen. Al vijfenveertig jaar woont hij op acht hoog aan de Stalinallee. “Het was een Prachtstrasse”, zegt zijn vrouw Karin (72). “Je kon er uit eten gaan, een bar bezoeken, winkelen en flaneren. Er waren enorme feesten, en op 1 mei trok de jaarlijkse parade door de straat. In de Stalinallee gebeurde altijd iets opwindends. Als je dat vergelijkt met nu! Een dooie boel is het geworden.'Tote Hose'.”

De Stalinallee is een van de drie 'wereldwonderen' uit het socialistische realisme in de architectuur. De straat ligt ten oosten van de Alexanderplatz en vormt het centrum van het oude Oost-Berlijn. Wie nu door deze drukke verkeersstraat loopt, ziet slechts verveloze kozijnen, gebarsten fa,cades en verlaten winkels. Vergane glorie. Weinig herinnert eraan dat deze Allee de trots was van de Duitse Democratische Republiek. Samen met de Moskouse metro en het Cultuurpaleis in Warschau, staat deze Berlijnse laan voor een tijdperk dat de architectuur in de twintigste eeuw opvallend heeft beïnvloed.

De communisten zouden alles beter doen, beweerden ze. Het leven in bouwvallige huurkazernes zou voor altijd tot het kapitalistische verleden horen. Slechts 'woonpaleizen' waren goed genoeg voor de nieuwe leidende klasse van proletariërs. Appartementen met een lift, centrale verwarming, een bad met warm en koud stromend water, een dakterras, een royale lichte woonkamer én lage huren. Dit was het socialistische paradijs. Ooit zouden alle arbeiders zo luxueus wonen, beloofde de partij.

Maar de staat, die wel meer ideologische dromen najoeg, kon zijn beloften niet nakomen. Al snel was er geen geld meer voor alle luxe plannen. Slechts de Stalinallee kreeg zijn 'Paläste für Proletarier'. In de rest van de DDR verrees de uniforme systeembouw van troosteloze 'Grossplattenprojekte'.

Toch is er geen straat in Berlijn, waarover na de val van de Muur zoveel is gestreden als over de Stalinallee. Nadat de Sovjet-dictator uit de gratie was geraakt werd Stalins beeld uit de straat verwijderd en veranderde de naam in Karl-Marx-Allee. Een fel debat laaide op over de vraag of de gebouwen tegen de vlakte moesten of dat de boulevard juist haar oude glorie terug moest krijgen. Het resultaat is een stortvloed aan boeken van architecten die pleiten voor restauratie van wat de Rue de Rivoli van Berlijn had moeten worden. Een van die boeken is het monumentale werk Die Stalinallee - Geschichte einer deutschen Strasse*. Het is een grootse vervolgstudie op een expositie die de Architectenkamer in Berlijn en het Instituut voor Regionale Ontwikkeling en Structuurplanning in 1994 organiseerden over opkomst en ondergang van de Stalinallee.

Het boek is een hommage aan de 'laatste grote allee van Europa'. Roemloos is zij ten onder gegaan. Maar volgens de auteurs verdient zij herstel: “Geldt de Stalinallee met zijn heroïsche architectuur en monumentale formaties niet als het grootste bouwkundige monument van Duitsland”, vragen auteurs Herbert Nicolaus en Alexander Obeth zich af.

Lelijkste straat

In de jaren dertig was de Stalinallee de lelijkste straat van Berlijn. Frankfurter Allee heette ze toen nog en ze liep van de Alexanderplatz naar Frankfurt an der Oder. Armoede, criminaliteit en prostitutie bepaalden er het leven, hier woonde het gewone volk dat nauwelijks geld had. De schrijver Alfred Döblin woonde in de Frankfurter Allee en verdiende er zijn geld als zenuwarts, tot hij succes had met zijn beroemde roman Berlin Alexanderplatz. Hij organiseerde discussie-avonden waar Bertolt Brecht een van de frequente gasten was. Tegen de achtergrond van de hoge werkloosheid en ellende in de Allee schreef Brecht een lied over een stervend paard dat door de hongerige mensen van Berlijn werd opgegeten**:

Ich zog meine Fuhre trotz meiner Schwäche. Ich kam bis zur Frankfurter Allee. Dort denke ich noch: o je! Diese Schwäche! Wenn ich mich gehenlasse Kann's mir passieren, dass ich zusammenbreche... Zehn Minuten später lagen nur noch meine Knochen auf der Strasse.

Na de Tweede Wereldoorlog was de Frankfurter Allee een van de zwaarst vernietigde delen van de stad. De DDR - opgericht in 1949 als reactie op het ontstaan van de Bondsrepubliek in Bonn - had ambitieuze plannen met de straat. Het moest het architectonische paradepaard worden van de nieuwe republiek. Op de zeventigste verjaardag van Stalin, 21 december 1949, werd de Frankfurter Allee tot Stalinallee omgedoopt. President Wilhelm Pieck legde de eerste steen voor de 'woonstad Stalinallee' waar vijfduizend mensen zich zouden vestigen.

Walter Ulbricht, de leider van de Socialistische Eenheidspartij Duitsland (SED), kreeg in Moskou te horen dat 'Stalinistische' bouwkunst het nieuwe credo was. Bauhaus werd in de ban gedaan. Richard Paulick en Hermann Henselmann, de belangrijkste architecten van de Stalinallee, wilden met een moderne 'tuinstad' juist aanknopen bij de Bauhaustraditie van de jaren twintig. Ze waren verbijsterd over de boodschap uit Moskou, maar de campagne voor een 'nieuwe Duitse architectuur' was al in volle gang.

Kurt Liebknecht, voorzitter van de Duitse Bauakademie en een neef van de vermoorde revolutionair, had in het partijblad afgerekend met de nieuwe zakelijkheid die hij 'een technisch product' noemde. Hij pleitte voor een terugkeer naar het classicisme. Goethe, Schiller, maar ook Schinkel en Knobelsdorff waren de Duitsers vertrouwd. De communisten meenden door een heroriëntatie op de Duitse klassieken een bredere basis voor hun overtuiging te vinden.

Even nog overwoog Henselmann naar het Westen te vertrekken, maar Bertolt Brecht, de schrijver, drong er op aan dat hij zou blijven. Brecht overtuigde Henselmann ervan, dat hij niet zo moeilijk moest doen. “Het bouwen voor miljoenen mensen moet uitgaan van de esthetische en emotionele voorstellingen van eenvoudige mensen”, vond Brecht. Het volk hoefde geen 'cultuur' te worden bijgebracht.

Het resultaat van Henselmanns mentale ommezwaai was de classicistische flat aan de Weberwiese: een residentiële toren met 'modelpaleizen' voor de arbeiders met een lift, centrale verwarming, warm water en lage huren. Volgens Brecht markeerde dit pand het startpunt van de 'nieuwe hoofdstad'.

Henselmann ontwierp de meeste andere opvallende bouwwerken aan de Stalinallee, zoals het 'Haus Berlin' aan de Strausberger Platz en de prestigieuze 'Frankfurter Türme' bij de kruising met de Petersburger Strasse, die nog steeds van ver te zien zijn. Talrijke woonblokken met zuilengalerijen verrezen en keramische figuren, loggia's en sierlijke balkons voorzien van gietijzeren hekwerk. Even talrijk zijn de namen van architecten en hun collectieven, die met de Stalinallee zijn verbonden: Richard Paulick, Hanns Hopp, Kurt Leucht en Egon Hartmann.

Zeepbel

Met de komst van Stalins opvolger Chroestsjov, raakten de architecten in de verdrukking. Chroestsjov vond hen 'verspillers van volksvermogen'. De wederopbouw moest worden versneld, voortaan domineerde kwantiteit boven kwaliteit. Betonplaten en monotonie bepaalden het uiterlijk van de nieuwe woningen. Als een zeepbel spatten de architectonische dromen over de 'arbeiderspaleizen' uiteen. De straat was geen prestige-object meer.

Uitgerekend de bouwvakkers van de Stalinallee kwamen op 17 juni 1953 in opstand. Zij protesteerden tegen de slechte werkomstandigheden. Met de hulp van Sovjet-tanks werd het verzet hardhandig onderdrukt.

In de hete herfst van 1989, tijdens de 'Wende', was de vroegere Stalinallee nog een keer in het nieuws. Op de Alexanderplatz, aan de voet van de televisietoren, had de grootste massademonstratie in de geschiedenis van de DDR plaats. Ditmaal had zij succes.

Op een druilerige zaterdagmorgen in februari zit op een stenen bankje bij de Frankfurter Turm een man van 88 jaar. Hij draagt een bruine ribfluwelen pet, een vaal groen jack en een blauwe broek. “In deze straat is een zeldzaam stuk werk verricht”, zegt hij, starend naar de kilometerslange Karl-Marx-Allee. Hij is hier geboren en getogen. “Er was een tijd dat architecten illusies hadden, over woningen vol licht en lucht. En zie, hoe het nu verkommert! Het stucwerk valt naar beneden, het is gewoon gevaarlijk”, moppert hij. De stad wil de woningen verkopen. “Privatiseren, noemen ze dat. Om de eigen schulden te dekken. Maar de bewoners hebben geen geld, de meesten hebben niet eens een baan.”

Alfred Neumann heet hij. Vroeger was hij een communistische 'top dog', zo blijkt: Neumann was minister van 'Materialwirtschaft', tot 1989 zat hij in het Centraal Comité. Hij zegt: “Toen wij regeerden, stonden hier achter nog fabrieken en had iedereen werk. Voor één mark is alles verkocht.” Hij voelt zich een loser. De eenwording heeft hem van zijn illusies beroofd: “Je moet achter de fa,cades kijken. Daar hebben de mensen geen toekomst. Alles is duurder geworden, het water, de huur, de energie.” Een groot aantal huizen in de straat is onder monumentenzorg geplaatst, zodat projectontwikkelaars uit het Westen niet alles kunnen slopen. “Dat is een handige list”, vindt Neumann. “De stad hoopt zo investeerders te vinden om de gebouwen voor de ondergang te behoeden.”