Een verhaal van vergelding

Mussert zou op 11 mei 1946 tweeënvijftig zijn geworden, als hij niet een paar dagen tevoren was doodgeschoten. Hij had zich erg impopulair gemaakt. Voor Radio Oranje had koningin Wilhelmina al eens gefantaseerd: 'Wij nemen Mussert, grijpen hem, stoppen hem in een zak, bezwaren deze zak, slepen hem naar de wallekant en plons... wij zijn weer onder elkaar.'

Het hachelijke was dat Mussert zich zo impopulair had gemaakt zonder duidelijke rechtsregels te schenden. Landverraad ja, maar daarover stond niets in het Wetboek van Strafrecht. Om de afrekening met landverraders in goede banen te leiden, moesten bepaalde regels met terugwerkende kracht worden gesteld. Zo trof de regering in Londen eind '43 voorbereidingen voor de bijzondere rechtspleging. Zij beloofde dat snel en hard zou worden recht gedaan. In dit kader werd de doodstraf weer ingevoerd.

Goed, we gaan er een stelletje doodmaken. Hoe doen we dat? De Wilhelmina-methode kan nauwelijks een optie zijn geweest. Juist de van overheidswege verstrekte dood vereist een protocol dat elke schijn van spontaniteit vermijdt.

In Nederland was de doodstraf in de algemene rechtspleging in 1870 afgeschaft. Ergens in de jaren daarvoor moet dus voor het laatst een vonnis ten uitvoer zijn gebracht.

Nu blader ik om te beginnen wat heen en weer in Moordenaarswerk, de oeroude maar nog steeds heel enerverende kroniek van Hans van Straten. En bij gebrek aan opheldering wordt de auteur te zijnen huize aan de telefoon geroepen. 'Mijn overgrootmoeder heeft hem nog zien hangen', verklaart hij royaal. 'In 1856, in Leiden. Toen ze thuis kwam, vertelde ze opgewonden dat zijn tong uit zijn mond stak. Haar moeder was hevig verontwaardigd, dat kinderen zoiets op straat te zien kregen.'

In 1856? Maar de encyclopedie geeft 1860. Waar? Wie? Waarom? Dat vinden we uiteindelijk bij Sibo van Ruller, zijn dissertatie Genade voor recht. Die houdt het op 31 oktober 1860, Maastricht, een zekere Johan Nathau. Deze was 27 jaar oud en een geheide recidivist. Op een stille plek had hij zijn schoonmoeder opgewacht, beroofd en vermoord. Hij werd opgehangen met behulp van een valluik.

In datzelfde Maastricht (aldus Marcel Verburg in Geschiedenis van het ministerie van Justitie) was tien jaar eerder een eigenaardige toestand ontstaan rond de doodstraf van de 31-jarige Johanna Severs. Zij was veroordeeld wegens vadermoord - ze had haar moeder vermoord, maar het heette nu eenmaal vadermoord. Volgens het 'gesel- en wurgbesluit' van 1813 gingen mannen aan de galg en vrouwen aan de worgpaal. Maar dat besluit had alleen rechtskracht in gebieden die toen, in 1813, daadwerkelijk bevrijd waren van de Franse overheersing. En daarom niet in Limburg. Hier diende formeel nog de guillotine te worden gebruikt. De toenmalige minister van Justitie voorzag dat het volk te hoop zou lopen tegen deze manier van executeren. Bovendien bleek Maastricht een scherprechter te hebben die de doodstraf nog nooit had voltrokken. Hij wenste deskundige assistentie en op het punt van guillotine zou die in België moeten worden gezocht, en met België waren de betrekkingen allesbehalve hartelijk. Het eind van het liedje was dat Johanna Severs gratie kreeg.

Wat je hieruit kunt opmaken, toen al, rond 1850, wist de overheid dat ze zich inzake de doodstraf geen broddelwerk kon veroorloven. Sindsdien was bijna een eeuw verstreken. Alle expertise was verloren gegaan. In de burgermaatschappij bestond voor executies gewoon geen geschikte choreografie meer. Maar in militaire kringen bestond die wel degelijk. Dáár hadden ze de voorschriften nog, beproefde regels over aantallen geweren, instructies voor de manschappen, te verrichten handelingen met de veroordeelde, te geven commando's door de leider van het vuurpeloton.

Zo kwam de dood door de kogel in de bijzondere rechtspleging terecht. De kogel, kon het toepasselijker aan het eind van een oorlog? Dat deze dood als betrekkelijk mannelijk, eervol zelfs, te boek staat, werd kennelijk op de koop toegenomen.

Voor opkomst en ondergang van Mussert beschikken we over de biografie die werd geschreven door Jan Meyers.

De voormalige NSB-leider moet zich voor de rechter kranig hebben geweerd. Zijn houding was waardig. Zijn verdediging van het beleid, dat hij in de oorlog had gevoerd, was moedig. Zo reikte deze schertsfiguur, deze namaak-duce, op het laatst naar een zekere grootsheid.

In de Scheveningse strafgevangenis nam hij les om zijn Engels te verbeteren. Hij dacht dat hij verbannen zou worden naar Amerika. Hij dacht dat de geschiedenis hem rechtvaardiger zou beoordelen dan het Bijzondere Gerechtshof. Hij dacht dat hij ooit nog wel een standbeeld zou krijgen, zoals ook Jan van Oldenbarnevelt en Jan de Witt mettertijd hun standbeeld hadden gekregen. Hij zag zichzelf als een verlosser, een man die zich moest laten offeren om zijn partijgetrouwen (en hun vrouwen, hun kinderen) van verdere vervolging te vrijwaren. Wat dat betreft was alles bij het oude gebleven: een man die illusies makkelijk omhelst en ze even makkelijk weer laat varen. Maar precies die karaktertrekken, die hem bij zijn leven ridicuul en pompeus hadden gemaakt, gaven hem bij zijn dood iets maar al te menselijks.

Toen hij op 7 mei, een dinsdagochtend, in alle vroegte uit zijn cel werd gehaald, kwamen van alle kanten bewakers toegestroomd om hem de hand te drukken. In dit tafereel is alle vijandigheid verdwenen. In feite is de noodzaak om de veroordeelde ter dood te brengen opgeheven - behalve dan dat het nu eenmaal zo is afgesproken. Zo ziet de overheid het graag. Voltrekking van een doodvonnis moet zo weinig mogelijk op een gewelddaad lijken. En Mussert zelf, die had ongetwijfeld zijn eigen belang bij een beheerste gang van zaken - het standbeeld in zijn achterhoofd.

Hij werd met een gevangeniswagen naar de Waalsdorperweg gebracht en daar liep het hele gezelschap de duinen in. In de beslotenheid van een dalletje was een paal in de grond gezet. Het vuurpeloton werd opgesteld. Mussert wendde zich naar zijn zwager, die de executie zou bijwonen. Hij legde zijn overjas, zijn jasje en zijn vest bij hem over de arm, en zijn hoed erbovenop. Deze kledingstukken waren bedoeld voor weer een andere zwager, die ongeveer Musserts postuur had (1946 - textielschaarste!).

Had hij zijn hoed opgehouden, en zijn vest en jasje en overjas aan, dan had het een man geleken die bij een halte ging staan om op de tram te wachten.

Jan Meyers (als ik hem even raadpleeg over zijn bronnen): “Als biograaf breng je zo iemand tot leven, en dan moet je hem weer doodmaken ook. Dat maakt wel indruk. Maar ik beschouw de executie van Mussert als een van de beste gebeurtenissen van '46 hoor.”

In het huis van de literatuur is een speciaal zolderkamertje gestoffeerd met executieverhalen. Het ligt pal naast dat van de pornografie. Je weet dat het niet hoort. Je kunt er je ogen niet van afhouden.