DE SURVIVING-SFEER VAN DE OVERBLIJF

Halverwege april verschijnt bij uitgeverij Van Gorcum het rapport 'Dagindeling en buitenschooltijdse opvang: kinderen, ouders en voorzieningen aan het woord'. Prijs ƒ 42,50.

ZET VIER werkende moeders met schoolgaande kinderen rond de tafel en snijd het onderwerp overblijven aan. Er is gespreksstof voor uren. Het blijkt een uiterst actueel en gevoelig thema te zijn. Het ouderlijk - of toch vooral moederlijk? - schuldgevoel ligt dicht onder de oppervlakte, want kinderen vinden het vaak niet leuk op de overblijf en ouders vinden dat het halfslachtig geregeld is.

Het begint al met verwarring: wie is eigenlijk verantwoordelijk als de kinderen overblijven? De school? “Nee”, zegt de eerste moeder, “de school is wettelijk verplicht om gelegenheid te bieden voor de overblijf, maar is niet verantwoordelijk voor de organisatie en de kwaliteit van de opvang.” De tweede moeder denkt dat de school wel verantwoordelijk is. “Want de overblijf is binnen het schoolgebouw geregeld.” De derde moeder heeft een overblijffolder en daarin staat letterlijk: “Het overblijven valt onder verantwoordelijkheid van de ouders, niet van de leerkrachten.” De dames kijken elkaar verbijsterd aan. De vierde moeder concludeert tenslotte: “Het is typerend dat we zoiets belangrijks niet eens weten, terwijl we onze kinderen er gewoon naar toe sturen.”

Tussen de middag overblijven is op veel scholen slecht georganiseerd, zo blijkt uit de verhalen van deze vier moeders die ervaring hebben op even zovele basisscholen. En als het de laatste tijd is verbeterd, dan komt dat omdat ze zich er kwaad over hebben gemaakt. Ze hebben geklaagd bij de directie van de school, ze zijn in commissies en werkgroepen gaan zitten en hebben andere moeders gemobiliseerd. Gevolg is dat twee van de vier moeders niet met naam en toenaam in de krant willen. “Ik wil niet dat het op mijn kind terugslaat”, zegt degene die we maar even moeder A. zullen noemen. “Ik voel me kwetsbaar, want om dat overblijven hangt een sfeer van dankbaarheid, je moet blij zijn dat er tenminste iets geregeld is.” Haar dochter van vijf liep tussen de middag een verwonding op met veel bloed, maar de overblijfkracht kon nergens haar telefoonnummer vinden, dus werd ze niet gewaarschuwd. Toevallig was ze die dag wel thuis. Toen ze naar de directeur van de school ging om te vragen wie verantwoordelijk is voor de veiligheid van haar kind en of er tussen de middag iemand aanwezig was met een EHBO-diploma, keek hij haar verbaasd aan. Ze was de eerste ouder die deze vraag stelde en nee, er was niemand met een EHBO-diploma. Over de verantwoordelijk zei hij: “Het is niet mijn taak, maar ik vind het wel belangrijk dat het goed loopt.” En dat terwijl het er - als je deze moeders mag geloven - tijdens de overblijf nogal ruig aan toe kan gaan. De slecht betaalde en niet-geschoolde overblijfkrachten hebben onvoldoende autoriteit om de meute kinderen die aan hen wordt toevertrouwd onder controle te houden. “Voor het instituut school is alles wettelijk vastgelegd, maar rond de overblijf hangt een klimaat van 'we komen dat uurtje wel door', het is een surviving-sfeer die totaal los staat van de rest van het onderwijs. Degene die het hardste schreeuwt krijgt de meeste aandacht”, zegt moeder B., die twee kinderen, van negen en zes, op de basisschool heeft.

Ze ging in een commissie zitten die de afgelopen tijd veel verbeteringen heeft weten door te voeren. De overblijfgroepen werden teruggebracht tot een maximum van vijftien kinderen, er werd een stiltelokaal ingericht voor de onderbouwleerlingen die behoefte hebben aan rust en een beetje tutten en er werden spelletjes gekocht voor de kinderen. Maar los van de veiligheid, het gebrek aan speelruimte, de ongeschoolde krachten, de te grote groepen en de klachten van meesters en juffen dat de kinderen na de pauze totaal verwilderd de klas weer inkomen, vinden de moeders ook dat het samen eten vooral 'gezellig en genoeglijk' moet zijn. Niet die boterhammen snel naar binnen schrokken in een ongeorganiseerde janboel. “Samen eten en een tafelgesprek voeren behoort toch tot de 'lifeskills',” vindt moeder A., die zelf een Britse achtergrond heeft. “In Engeland zorgen de scholen elke dag voor een warme maaltijd. Ik vond het eten als kind vies, maar het was wel gezellig. Het eten tussen de middag werd niet als een noodzakelijk kwaad gezien, maar het was onderdeel van het leven op school. Ik vind het onbegrijpelijk dat zoiets belangrijks hier overgelaten wordt aan het particulier initiatief.”

De klachten van de moeders staan niet op zichzelf, zo blijkt uit het rapport 'Dagindeling en buitenschooltijdse opvang: kinderen, ouders en voorzieningen aan het woord' van de Commissie Dagindeling. Het werd half februari 1998 aan minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeboden en half april verschijnt het in boekvorm. De organisatie van de overblijf krijgt een dikke onvoldoende van de samenstellers van het rapport. Ze baseren hun conclusies op vraaggesprekken met kinderen en ouders. “Nagenoeg alle basisschoolkinderen zonder continurooster hebben in sterke mate een hekel aan overblijven op school”, zo valt in het rapport te lezen. Kinderen geven daarvoor zes redenen: er wordt veel gepest, het is te druk, er zijn geen rustige ruimtes of momenten, de afwezigheid van vriendjes/vriendinnetjes, verveling, de dag duurt te lang en de rol van de overblijfkrachten. Ook zeggen de ondervraagde kinderen dat ze graag zelf willen kiezen wat en hoeveel ze willen eten en dat ze bij voorkeur vers voedsel willen. “Vrijwel alle basisschoolkinderen gaan tussen de middag het liefst naar huis”, zo blijkt uit het rapport. Niet alleen de kinderen, ook de ouders hebben een negatief oordeel over de overblijf. Ze vinden het te massaal opgezet en vrijwel alle ouders beklagen zich over de geringe professionaliteit van de overblijfkrachten. Conclusie: “De opvang van de kinderen tussen de middag is voor de meeste werkende ouders een groot knelpunt.” Als ze het op een andere manier proberen te regelen, bijvoorbeeld door buurvrouwen, grootouders of vriendinnen in te schakelen kost ze dat veel energie en stress, stelt de Commissie Dagindeling vast.

Annette de Jong vindt dat de overblijf op de school van haar jongste kind (10) nu redelijk loopt, al blijft het behelpen met banenpoolers, ongeschoolde krachten en te weinig ruimte. Zelf heeft ze indertijd op school een betere opvang tussen de middag aangezwengeld. “We zoeken nu overblijfkrachten die wat ervaring met kinderen hebben en ze volgen een cursus van Stichting Broodje Mee, zodat ze een beetje weten hoe ze met agressie en pesten om moeten gaan. We organiseren ook speciale dingen zoals schaakles, kinderen kunnen turnen en dansen. Als er niet voldoende overblijfkrachten zijn of als het niet goed loopt, dan springen de leerkrachten altijd bij.” Het vervelendste vindt Annette de Jong dat de kinderen in hun eigen klas moeten overblijven. “Ze hebben daardoor te weinig verandering, ze blijven de hele dag in hetzelfde lokaal.”

Molly van Gelder heeft haar jongste van zes op een Montessorischool, waar de leerkracht eerst met de kinderen eet, waarna een overblijfjuf met ze naar buiten gaat. “Dat is een goede regeling”, vindt ze. Op de school waar haar oudste zat, werd niet eens wat geregeld als het regende. “De kinderen werden gewoon naar buiten gestuurd en kwamen dan kletsnat terug in de klas.”

Op het ministerie van Onderwijs heeft men ook geen ondubbelzinnig antwoord op de vraag wie verantwoordelijk is voor de kinderen tijdens de overblijf en wie de kwaliteit moet bewaken. Het hangt er sterk van af hoe het is georganiseerd, laat de woordvoerster weten. De school is wel wettelijk verplicht om lokalen en speelterrein beschikbaar te stellen. “Het is een beetje een schemergebied”, moet de woordvoerster toegeven.