De euro-uitdaging

WELKOM IN EUROLAND. Elf landen hebben deze week een toegangskaart tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) bemachtigd, maar nu komt het moeilijkste deel. De rapporten liggen op tafel, de beoordelingen zijn gegeven.

De Europese Commissie heeft haar positieve aanbeveling gepubliceerd en de centrale bankiers van het Europees Monetair Instituut (EMI) hebben hun afstandelijke oordeel gegeven. Ook De Nederlandsche Bank, de Duitse Bundesbank en de Banque de France hebben zich in kritische zin uitgelaten. Het slotwoord is aan de politiek. In het eerste weekeinde van mei zullen de Europese regeringsleiders formeel bekrachtigen dat de EMU op 1 januari 1999 begint. De gulden is vanaf dat moment een verschijning van de euro en drie jaar later, in 2002, houdt de gulden op te bestaan.

De introductie van één Europese munt zal tot ingrijpende veranderingen leiden, waarvan de aard en de omvang vooraf moeilijk vallen te overzien. Dan gaat het niet alleen om de psychologische gewenning aan andere prijzen of aan de prijsdoorzichtigheid van de Europese interne markt. De komst van de euro is al aangeduid als de grootste ommekeer in de internationale monetaire orde sinds de loslating van de dollar-goudstandaard door president Nixon in 1971.

Het is een staaltje van opmerkelijke Europese politieke wilsuitdrukking dat er een euro van elf landen komt. Weinigen hadden dat een jaar geleden voor mogelijk gehouden: het was de vraag of de kernlanden Frankrijk en Duitsland wel aan de toelatingscriteria zouden voldoen en het was nauwelijks een vraag of de zuidelijke landen zouden voldoen. De 'Club-Med' zou buiten het begin van een homogene euroclub blijven.

DE EMU HEEFT niettemin gefungeerd als formidabel pressiemiddel om de overheidsfinanciën in veertien van de vijftien EU-landen min of meer op orde te krijgen. Alle mogelijke middelen - bezuinigingen, ombuigingen, lastenverhogingen, eenmalige maatregelen en optische verschuivingen - hebben regeringen ingezet om althans in de buurt van de EMU-normen te komen. Het is een 'prille convergentie', zoals De Nederlandsche Bank zuinig vaststelt. En het is waar: strikt genomen voldoen slechts drie landen (Luxemburg, Ierland en Denemarken) aan de toelatingscriteria van Maastricht. Waarvan Denemarken heeft bedongen niet mee te hoeven doen.

Vandaar de pogingen om met verdere afspraken de duurzaamheid van de macro-economische convergentie vast te pinnen. De centrale bankiers hebben daartoe krachtig opgeroepen en de ministers van Financiën hebben een aanzet gegeven. De landen die nu lichtelijk euforisch zijn omdat ze de toelatingshorde hebben genomen, zullen nog jarenlang moeten doorgaan met de gezondmaking van hun overheidsfinanciën. Het is de vraag - en dit is de eerste onzekerheid over de EMU - of de politieke bereidheid tot verdergaande sanering zolang zal standhouden. De peer pressure, de onderlinge druk van de deelnemers op elkaars beleid, zal onverminderd moeten aanhouden, maar veel zal afhangen van de binnenlandse politieke ontwikkelingen in de eurolanden.

DE TWEEDE onzekerheid is het sociaal-economische perspectief in Europa. President Duisenberg van het EMI beklemtoonde deze week nog eens dat tachtig procent van de werkloosheid in Europa geen kwestie van conjunctuur, maar van structuur is. Met andere woorden: de aanloop naar de EMU is niet de oorzaak van de hoge werkloosheid geweest, maar de muntunie is evenmin de magische oplossing voor het werkloosheidsvraagstuk. Aanpassingen in de arrangementen van de verzorgingsstaat en van de arbeidsmarkt blijven geboden. Wetgeving voor een 35-urige werkweek, zoals nu in Frankrijk en Italië door het parlement wordt geloodst, is precies het verkeerde signaal. Dit is een voorbeeld van 'asymmetrisch beleid' ten aanzien van economische vraagstukken.

De derde onzekerheid betreft de kern van het Europese monetaire experiment. Is het mogelijk een muntunie te vormen zonder politieke unie? In de EMU dragen de deelnemende landen hun monetaire soevereiniteit vrijwillig over aan een supranationale instelling, de Europese Centrale Bank, zonder dat er een gremium komt voor de coördinatie van het economische beleid. En zelfs als dat er wel zou zijn - de 'euro-11-raad' - dan liggen de standpunten over de gewenste richting van dat beleid ver uit elkaar.

DE EURO IS ook de aanzet voor een formidabele Europese monetaire macht. De alleenheerschappij van de dollar als dé reservemunt van de wereld zal hoe dan ook verminderen en dat zal tot ingrijpende financiële en economisch-politieke verschuivingen leiden. Daarnaast ontstaat er een euroland van 290 miljoen mensen, een bruto binnenlands product van twaalf biljoen gulden en een extern handelsvolume van twee biljoen gulden. Het strategische speelveld voor het Europese bedrijfsleven krijgt hierdoor een totaal nieuw aanzien.

Terugkijkend zal de aanloopfase naar de EMU, die nu nagenoeg is afgerond, te boek komen te staan als de gemakkelijkste periode. De grootste uitdaging ligt in het verschiet. Voor de toekomst komt het er op aan om alle inspanningen van de afgelopen jaren duurzaam om te zetten in gezonde overheidsfinanciën, in een harde munt en in stabiel monetair beleid. De tekenen zijn gunstig, maar de eurolanden zullen hun vastberadenheid in de praktijk moeten bewijzen.