De dilemma's van een Nederlandse huisarts; Ik wil geen kruidenier worden

Als euthanasie uit het strafrecht wordt gehaald, hoeft een huisarts niet langer aan te tonen dat hij juist heeft gehandeld. Justitie moet bewijzen dat hij onzorgvuldig is geweest. De Maas- trichtse huisarts George Wolfs voelt zich nog steeds een potentiële moordenaar. De morele waakzaamheid van een calculerende stadsarts.

Mijn eerste euthanasiezaak is een aangrijpende ervaring geweest. Ik wist niet of ik het zou kunnen. Met mijn principes zie ik me zoiets nooit doen op een achterbakse manier. Ik ben niet gelovig, maar ik heb aan mijn orthodox-katholieke opvoeding een streng geweten overgehouden. Achteraf ben ik er trots op hoe het is verlopen. De patiënt had longkanker, er waren uitzaaiingen, er was geen enkel uitzicht op verbetering. Je ziet de wanhoop groeien, van de patiënt, van zijn familie.

“Het is me dichter op de huid gaan zitten dan de dood van mijn eigen vader, die onverwachts overleed, zonder afscheid. De politiek heeft houvast willen geven met uitgebreide teksten en richtlijnen, maar uiteindelijk kun je niet calculeren waar de angst voor de dood ophoudt en het moment aanbreekt waarop het lijden ondraaglijk, onafwendbaar en onbehandelbaar is geworden. Het heeft drie maanden geduurd voordat de patiënt me heeft kunnen overtuigen. Toen heb ik het eindinfuus toegediend.

“Dit was wellicht de eerste euthanasie door een huisarts in deze stad die volgens de regels is verlopen. Om te weten wat me te wachten stond ben ik bij veel artsen te rade gegaan, vooral in het ziekenhuis, waar euthanasie veel vaker wordt uitgevoerd en waar het volgens de regels gebeurt. Ik heb verhalen van buiten het ziekenhuis te horen gekregen over gevallen die in feite neerkomen op achterkamertjeseuthanasie: je maakt met een paar familieleden een afspraak, je smeedt een soort complot, gewoon om van de rompslomp af te zijn. De politie-artsen kenden de huisartseneuthanasie alleen van papier, ze hadden nog nooit een melding van een huisarts gehad. Ik heb me na de dood van de patiënt netjes gemeld bij justitie als potentiële moordenaar. Na vijf maanden studie heb ik per brief te horen gekregen dat ik die last van me af mocht gooien. Het voorstel van D66 om euthanasie uit het strafrecht te halen, vind ik uitstekend.”

George Wolfs, 37 jaar oud en geboren in Almelo, spreekt nu als het nodig is Maastrichts met zijn patiënten, althans een Finkersiaanse versie daarvan. Hij heeft zich twee jaar geleden gevestigd als zelfstandig huisarts in de binnenstad van Maastricht. Op een zonnige dag staat het statige praktijkpand beurtelings in de schaduw van de Sint Servaas, de Sint Jan en de universiteit waar hij zijn opleiding tot arts heeft gevolgd. De tweeduizend patiënten die hij onder zijn hoede heeft, vormen een gemêleerd gezelschap van studenten, winkeliers, horecapersoneel, bejaarde religieuzen, zelfkanters en buitenlandse werknemers van internationale organisaties.

“De ontgroening in het vak is keihard geweest. In de eerste week dat ik zelfstandig werkte kreeg ik de tuchtcommissie achter me aan, in de tweede week werd ik voor het eerst met een euthanasievraag geconfronteerd en in de derde week overleden plotseling twee broers van mijn vrouw. De eerste drie maanden liep de praktijk hard achteruit, werkelijk spectaculair. Dat was in alle opzichten een harde klap, maar ik weigerde een ambtenaar te zijn die van achter zijn bureau schuin omhoog kijkt naar de patiënt en het zoveelste recept door het loket schuift. Ik wilde het niet als vanzelfsprekend beschouwen dat iemand die al vijftien jaar dezelfde pillen slikt daar eindeloos mee doorgaat. Je kunt niet zomaar iemand vragen of dat wel verstandig is, heb ik geleerd. Dan loopt hij weg. Ik denk dat ik in het begin te confronterend ben geweest. Inmiddels heb ik leren calculeren.”

De meest gedenkwaardige dag van het afgelopen jaar was 5 december: 's morgens trouwde hij met zijn vroegere hospita, de schrijfster Rosalie Sprooten, en 's middags promoveerde hij op een proefschrift over plasproblemen bij oudere mannen. De conclusie van zijn onderzoek was dat de traditionele diagnostiek om prostaataandoeningen vast te stellen meestal faalt. Daardoor worden vaker prostaatoperaties uitgevoerd dan noodzakelijk is.

Van het jaar daarvoor herinnert hij zich vooral een minder plezierige dag. “Ik had de drukste dag van mijn leven gehad. Het spreekuur was twee uur uitgelopen door twee acute sterfgevallen. Ik had drie kwartier iemand proberen te reanimeren, tevergeefs, hij overleed. 's Avonds om half negen ging de laatste patiënt de deur uit. Bij de deur naar buiten stond een vriend op me te wachten met een medisch probleem: hij had het benauwd. Ter plekke heb ik hem onderzocht.

“Omdat ik er rekening mee hield dat er iets ernstigs aan de hand was, heb ik hem een aanvraagformulier meegegeven voor onderzoeken in het ziekenhuis, de volgende dag. Maar dat heeft hij niet gehaald. 's Morgens kreeg ik een telefoontje dat hij was overleden. Ik zal me dat nooit vergeven. Ik heb er ontzettend mee gezeten, mijn tong blauw gepraat tegen collega's, die me verzekerden dat ik veel had gedaan, maar dat ik gewoon pech had gehad. De familie is later naar de klachtencommissie huisartsenzorg gestapt, ondanks mijn inspanningen om hen te begeleiden. Op vier punten is hun klacht verworpen. Volgens de commissie had ik zorgvuldig en systematisch informatie verzameld, maar toch vond zij dat ik niet zorgvuldig genoeg had gehandeld. Het oordeel is onvoldoende toegelicht.

“Ik heb na dat voorval serieus overwogen ermee te stoppen en me veilig terug te trekken in het onderwijs. Het begint nu pas te slijten. Ik accepteer nu beter dat dit in de frontlinie van de gezondheidszorg kan gebeuren. Je moet ontzettend alert zijn, voortdurend beseffen dat je met weinig concrete informatie veel belangrijke beslissingen moet nemen.

Oorspronkelijk wilde ik vooral onderzoek doen met daarnaast anderhalve dag patiëntenzorg. Ik heb twaalf jaar bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde gewerkt als onderzoeker en specialist in het automatiseren van praktijken. Er werden mij ook praktijken aangeboden, maar die wilde ik niet omdat ik het huis dan moest overnemen. De goodwill-overname bestaat in verkapte vorm nog steeds. Er zijn studiegenoten die met een schuld van anderhalf miljoen zijn begonnen, die alleen nog kunnen werken als slaven van hun zaak. Ik wilde geen kruidenier worden. Tegen mijn voorganger heb ik gezegd dat ik zijn inboedel wel wilde overnemen, maar niet zijn pand. Dat heeft hij toen aan een projectontwikkelaar verkocht. Nu zit ik gehuurd, maar dat betekent nog niet dat het een vetpot is. Over 1996 had ik een omzet van 250 duizend gulden. Daar hield ik een bruto-inkomen van 40 duizend gulden aan over. Dat is geen ramp, de enige luxe die we ons willen permitteren zijn de vakantiereizen. De mensen wijzen graag naar mijn Mercedes, maar ze vergeten dat die zeven jaar oud was toen ik hem voor twintigduizend gulden kocht.

“Mijn praktijk heb ik overgenomen van een typisch Maastrichtse nonconformistische huisdokter, die een zeer open contact had met zijn patiënten. Tot dan toe had ik al vijf jaar bij hem gewerkt, deels als academisch onderzoeker en deels als vervanger in de patiëntenzorg. Ik heb een heel andere benadering dan hij, omdat ik ben opgevoed in de Maastrichtse tweesporenbenadering: kijk zowel naar de somatische als de psychische kant. Tachtig procent van de patiënten komt hier binnen met een somatische klacht, maar mijn ervaring is dat die zeker in de helft van de gevallen mede een psychische klacht verbergt. Die probeer ik op een gunstig moment boven water te krijgen. Ik kijk in de spiegel van de ziel. Dat hoort bij mijn taak, maar ik heb geleerd hoe voorzichtig ik daarmee moet zijn. Een patiënt is een brok klei, waarin je de zachte plekjes moet zien te vinden om voorzichtig te gaan kneden.

“Je kunt niet zomaar zeggen: 'mevrouw, u neemt al vijftien jaar lang iedere avond dezelfde slaappil, moeten we daar niet eens naar kijken?' Dan schrikt zo iemand zich wezenloos, want die is verslaafd aan die pillen. Dat zijn verkapte angstremmers geworden. Of er komt een patiënt bij me: 'Dokter, wilt u geen antibioticakuur geven tegen mijn hoest? Doet u dat niet, dan ben ik weg!' Op die manier ben ik in het begin zevenhonderd patiënten kwijtgeraakt. Toch vind ik dat ik dat niet zomaar moet accepteren. Ik heb de eed van Hippocrates afgelegd en heb dus beloofd dat ik mensen niet zieker mag maken dan ze al zijn, dus in principe geen penicilline tegen gewone hoest moet voorschrijven. Maar ik heb ook geleerd hoe behoedzaam ik dat moet aanpakken, want hoe vervelend het ook klinkt, ik moet ook aan mijn zaak denken. Iemand die zijn zin niet bij mij krijgt, krijgt zijn zin bij een ander, ondanks alle afspraken die artsen onderling maken. Bij mij kunnen ze tot op zekere hoogte ook hun zin krijgen, maar dan wil ik er wel iets voor terughebben.

“Sommige patiënten kunnen een enorme druk uitoefenen. Ik heb hier een patiënte gehad die in tien jaar tijd al negen huisartsen had versleten en die bij de laatste met hulp van de politie op straat was gezet. Een dossier had ik nog niet van haar, maar ze liet allerlei medicijnpotjes zien waaruit bleek dat ze zware anti-depressiva in hoge doses voorgeschreven kreeg. Ik heb haar een voorlopig recept gegeven voor tien dagen, maar twee of drie dagen later zat ze alweer in de wachtkamer: de tabletjes waren op. Ik zei dat ik me niet kon voorstellen dat ze dan nog kon lopen. Er wordt veel gehandeld in pillen, dus ik was op mijn hoede.

“Er zijn hier in de stad mensen die per dag dertig à vijftig gulden verdienen met de verkoop van hun medicijnen. Toen heb ik naar de apotheek gebeld en de gegevens van die vrouw gevraagd om te horen wat ze gebruikt had. Als antwoord kreeg ik een fax van drie meter, dicht bedrukt. Ik kreeg er geen vat op. Na een half jaar ben ik zelf naar het patiëntenplatform gestapt om te vragen om een begeleider, een soort arbiter tussen haar en mij. Die kwam telkens met haar mee op consult, maar na een jaar heb ik de moed opgegeven en haar gevraagd een andere huisarts te zoeken. Ze is toen naar de tuchtcommissie gestapt met een lijst van veertien klachten. Die heeft haar na anderhalf jaar in het ongelijk gesteld en mij een compliment gemaakt voor de manier waarop ik met haar ben omgegaan.

“Ik geloof dat ik nu een goed evenwicht heb gevonden in de manier waarop ik met mijn patiënten omga. Voor een deel zeg ik tegen de patiënt: 'hier heb je je zin'. Ik wacht wel op een gunstig moment om iets belangrijkers te doen, waar ik achter sta. De individuele emancipatie, daar draait het om en niet om de pillenpot. De patiënt moet weer het besef krijgen dat hij zelf verantwoordelijkheid draagt voor zijn gezondheid. Ik daag hem uit, gebruik soms humor. Dit werk omvat veel meer dan het behandelen van somatische klachten, je bent ook voortdurend met de psyche bezig. Als je daar voorzichtig genoeg mee bent, erkennen de mensen dat ze daar meer baat bij hebben.

“Ik zie dat die benadering aanslaat. Langzaam maar zeker herstelt het patiëntenbestand zich weer, er komen weer flessen wijn, bonbons en zelfs een dikke trui binnen, zonder dat ik te veel concessies aan mijn overtuiging moet doen. Het is niet zo moeilijk om een populaire huisarts te worden. Geef de patiënten wat ze vragen, verwijs veel naar de specialist, laat het consult zo kort mogelijk duren, houd de wachtkamer leeg, hang de joviale dokter uit. Zo ver wil ik dus niet gaan. Ik heb alleen geleerd dialect te praten, want bij veel Maastrichtenaren blijft het hart anders gesloten.”