Aandeel van kaarthouders in museumbezoek blijft stijgen; Opmars van de Museumjaarkaart

De Museumjaarkaart is een succes, mede dankzij de Rabobank en de NS, die de kaart cadeau geven. In sommige musea komt de helft van het aantal bezoekers binnen met de museumpas.

Hoog opgeleide liefhebbers van moderne kunst uit de Randstad zijn de meest frequente gebruikers van de Museumjaarkaart, de pas die gratis toegang geeft tot 440 van de 1150 musea in Nederland. Dat zijn calculerende burgers, want wie zo nu en dan eens een tentoonstelling meepikt, heeft de kaart er in een mum van tijd uit. Hij kost 55 gulden per jaar (55-plussers betalen 45 gulden, jongeren tot en met 24 jaar 25 gulden) en de gemiddelde toegangsprijs van de bij Museumjaarkaarthouders populairste musea is ongeveer een tientje.

De pas verdient zich dus gemiddeld in vijf tot zes museumbezoekjes terug. “In Amsterdam heb je hem er zelfs in vier keer al uit”, zegt Carla Keijzer van de Stichting Museumjaarkaart (SMJK). De wat duurdere, toeristische musea in de hoofdstad, zoals het Rijksmuseum en het Van Goghmuseum (beide 12,50 gulden entree) zijn voor de Museumjaarkaarthouder immers even goed gratis toegankelijk als het Klompenmuseum 't Schöpke in het Overijsselse Enter (toegang 3,50 gulden).

Toeristische trekpleisters als Madame Tussaud, het Anne Frank Huis en het Sexmuseum in Amsterdam zijn overigens niet bij SMJK aangesloten. Die zijn voor de doorsnee kaarthouder ook minder interessant, omdat hun collectie zelden of nooit verandert. Met andere woorden, als je ze één keer gezien hebt, hoeft je er later niet nog eens naartoe. Dat ligt anders voor modernekunstmusea: die wisselen een paar keer per jaar van tentoonstelling en blijven dus wel de moeite waard om vaker aan te doen. “Daar kun je ook gemakkelijk even aan het eind van de middag een half uurtje binnenlopen, als je toevallig in de buurt bent. Als je een Museumjaarkaart hebt, kost je dat niks”, aldus Keizer.

De musea die de meeste Museumjaarkaarthouders trekken, vallen dan ook veelal onder de categorie 'moderne kunst' en hebben meestal wisselende tentoonstellingen. Bij musea als het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Groninger Museum, Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam, het Centraal Museum in Utrecht en het Bonnefantenmuseum in Maastricht is zelfs bijna de helft van de bezoekers in het bezit van een Museumjaarkaart. Volgens SMJK-directeur Lies Boelrijk is de sterke stijging van hun bezoekersaantallen de laatste jaren dan ook vooral te danken aan de opmars van de Museumjaarkaart.

Ook het totale museumbezoek is explosief gegroeid sinds de kaart in 1981 geïntroduceerd werd, van 11 naar 26 miljoen bezoeken. Overigens is ook het aantal musea in Nederland in die tijd ruimschoots verdubbeld, van 500 tot 1150. Het aandeel van Museumjaarkaarthouders in het totale museumbezoek blijft stijgen. Begin jaren '90 werd de kaart 1,4 miljoen keer gebruikt, in 1997 steeg dat aantal boven de drie miljoen uit. Relatief steeg het aandeel de laatste zeven jaar van 6,6 naar 11 procent van het totale museumbezoek. Dat is vooral het gevolg van de samenwerking van de Stichting Museumjaarkaart met de Rabobank, sinds 1991. De Europas van deze bank, waarvan er 3,5 miljoen in omloop zijn, geldt als gratis Museumjaarkaart. Ook een aantal abonnementhouders van de Nederlandse Spoorwegen krijgt de kaart sinds dit jaar voor niets aangeboden. Eind '98 moet dat meer dan 600.000 nieuwe Museumjaarkaarthouders opgeleverd hebben. Het aantal kaarthouders dat de MJK zelf heeft aangeschaft ligt rond de 250.000. Dat aantal is de laatste jaren redelijk constant.

Deze laatste groep gebruikt de kaart uiteraard veel vaker, zo'n zeven tot acht keer per jaar. Kaarthouders die met hun Europas gratis naar musea kunnen maken gemiddeld maar éénderde keer per jaar gebruik van die mogelijkheid. Een ruime meerderheid van hen gebruikt de pas dus nooit. “Toch heeft de Museumjaarkaart via de Europas een heleboel mensen die vroeger nooit in een museum kwamen over de drempel gekregen', aldus Boelrijk. “Terwijl de betalende kaarthouders uit de randstad komen en vooral modernekunstmusea bezoeken, zijn de klanten van de Rabobank juist vaker mensen uit de provincie, die met het hele gezin naar kleine musea bij hen in de buurt gaan. “Één van de doelstellingen van SMJK - 'nieuwe' museumbezoekers genereren - is met de introductie van de kaart op de Europas volgens Boelrijk dan ook bereikt. Bovendien hebben de deals met de Rabobank en de Spoorwegen de omzet van de stichting aanzienlijk verhoogd: van de 19 miljoen die de uitgifte van de kaart jaarlijks oplevert, komt 40 procent van de Rabobank en 10 procent van de NS.

Dat geld wordt grotendeels verdeeld onder de aangesloten musea. Zij ontvangen ter compensatie van de inkomsten die zij 'derven' omdat bezoekers met een Museumjaarkaart gratis naar binnen mogen 60 procent van de entreeprijs via de stichting. “Ze krijgen dus niet het volle pond, maar per saldo neemt hun omzet natuurlijk wel toe, want een groot deel van de kaarthouders had die musea waarschijnlijk veel minder vaak bezocht, als zij geen Museumjaarkaart hadden gehad”, aldus Boelrijk.

Omdat de vergoeding aan de musea afhankelijk is van de toegangsprijs, zijn de aanschafkosten van de Museumjaarkaart in de afgelopen zeventien jaar evenredig gestegen met de gemiddelde toegangsprijs van de musea. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekende dat een museumkaartje in die tijd ruim twee maal zo duur is geworden; de Museumjaarkaart steeg trapsgewijs in prijs van 25 tot 55 gulden.

Wie dat toch te duur vindt, heeft overigens altijd nog de keus uit een honderdtal musea dat gratis toegankelijk is. Honderden andere, kleinere musea kosten minder dan vijf gulden entree. Bijvoorbeeld het Kerkmuseum in het Friese Janum of museum 'In de tinnen wonnenwereld' in Uithuizen (Groningen) hoeft niemand voor het geld over te slaan: de entreeprijs bedraagt er slechts 1,50 gulden.