Vraaggesprek met Moses Isegawa; 'Zachte boeken helpen niet'

Op weg naar het restaurant passeren we de sportschool in Beverwijk waar de schrijver zijn conditie op peil houdt. De laatste tijd is het er niet van gekomen, zegt hij, maar normaal pompt hij hier wekelijks vier keer zestig kilo op de bench. “Ik kom het liefst vroeg, als het rustig is. De rest gaat 's avonds vaak even trainen en dan wat zitten zuipen.”

Eenmaal aan tafel bestelt Moses Isegawa een glas rode wijn. Hij drinkt langzaam. Is hij voldaan over de publicitaire storm die vorig jaar opstak over zijn Abessijnse Kronieken en die met de publicatie van de roman deze week echt is gaan woeden? “Het is erkenning”, zegt Isegawa rustig. Hij lacht en aait over zijn wangen. “Dit zijn de strelingen.” Geeft zichzelf dan een paar petsen in het gezicht. “Misschien moeten de klappen nog komen. Maar dat kan me niet schelen. Daar ben ik te oud voor.”

De Oegandese schrijver Moses Isegawa (34) heeft met zijn debuut Abessijnse Kronieken een van de opmerkelijkste boeken van dit voorjaar geschreven. In ruim zeshonderd pagina's volgt hij het leven van Moegezi, de ik-figuur die opgroeit als kind van een welgestelde, maar tirannieke familie in het Oeganda van Idi Amin. Na een verhuizing naar de hoofdstad Kampala, waar hij in 1979 de val van het Amin-bewind meemaakt, belandt Moegezi als illegale immigrant in de Bijlmermeer. 'Ik was binnen', luidt de slotzin van het boek.

Zijn Engelstalige manuscript viel in maart 1997 in de bus bij De Bezige Bij. Het was bij de uitgeverij een direct hit. De eerste druk van 10.000 exemplaren is na een week verkocht, de tweede komt eraan. Waarom slaat zijn boek in Nederland aan? “Dat moet je aan de Nederlanders vragen”, zegt Isegawa met een grijns. Maar dan: “Het is een eerlijk boek. Het is niet geveinsd. Geen klaagverhaal. Mijn boek gaat over survivors. Iedereen is aan het vechten, ook de slachtoffers. Ik schrijf niet alleen over mijn ouders die mij bont en blauw slaan, ik vecht ook terug. Ik smeek niet om hulp, ik ga een paspoort kopen en binnendringen in jouw samenleving. Dat geeft het boek zijn kracht. Mensen houden van iemand die terugvecht.”

Hardhandige disciplinering

Isegawa, geboren in Kawemte in 1963, groeide op als kleinkind van een chief, een gefortuneerd man met macht over verscheidene dorpen. Zijn moeder, een ex-non, was een strenge vrouw, die hem hardhandig probeerde te disciplineren en hem mishandelde. Na een opleiding op een katholiek seminarie werkte hij vier jaar als leraar geschiedenis op een middelbare school.

Dat hij schrijver zou worden, wist Isegawa al vanaf 1978, in zijn schooltijd. Als inspiratie dienden, behalve zijn eigen familieverhalen, vooral westerse literatuur: Treasure Island van Robert L. Stevenson, verhalen over Koning Arthur. En de Bijbel. “Een van de grootste romans ter wereld. Vol met geschiedenis, politiek, incest, polygamie - you name it. Het Nieuwe Testament is ook heel komisch, met de verhalen over Jezus die over water loopt. Het heeft zoveel kanten.”

Zijn talent bleef niet onopgemerkt. “Mijn leraar Engels op het seminarie, een Afrikaanse priester, vroeg me telkens: where's the novel? Maar hij wist niet hoe goed ik precies was. Ik wist niet hoe goed ik was. Ik moest getest worden. Dan pas kun je aan de wedstrijd meedoen en misschien een grand slam slaan. Ik ben nu 34, maar voor mijn gevoel ben ik pas begonnen. Toen ik hier kwam dacht ik: misschien ben ik een Norman Mailer. Meteen grote boeken. Dat is het zelfvertrouwen van de onwetendheid. Maar zodra je je eerste nederlaag lijdt, zodra je knock-out gaat in de eerste ronde, denk je: ik ga tien keer zo hard trainen. Iedere schrijver heeft die eerste nederlaag nodig. Ik had natuurlijk ook kunnen opgeven en stukjes kunnen gaan schrijven. Maar dan was dit boek er niet gekomen.”

Zijn kansen lagen buiten Oeganda, besefte hij gaandeweg. Het werd Nederland. Hij kwam het land binnen in 1990 op een toeristenvisum, via een redacteur van Bijeen, een tijdschrift voor ontwikkelingssamenwerking waarvoor hij toen al regelmatig een column schreef. Redacteur Kees Pels, die lijdt aan de ziekte myalchische encefalomyelitis (ME), stond garant en bood hem onderdak in zijn flat in Beverwijk. Die flat delen ze nog steeds. Isegawa helpt in het huishouden en met boodschappen doen. “Dat was niet zo nieuw, omdat ik vroeger ook voor mijn broertjes heb gezorgd.” Inmiddels is hij genaturaliseerd. Een uitkering heeft hij nooit aangevraagd. Hij wil niet “gecontroleerd worden door instanties”.

Om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien als zijn schrijverschap schipbreuk zou lijden, volgde Isegawa cursussen Nederlands en boekhouden. Maar vanaf 1994 begon zijn idee voor een roman vorm te krijgen. Het schrijven kon beginnen, in vrijwillig isolement. De krappe behuizing vormde een alibi om bezoek te weren, het idee van een baan als boekhouder liet hij schieten. “Je energie gaat verloren. Ik had dan misschien na tien jaar een auto en een huis gehad, maar ik wilde iets meer.” Ook een gezin kwam er niet van. “Ik heb veel relaties zien kapotgaan omdat de vrouw klaagt dat de man niet genoeg geld meebrengt. Ik wilde mijn schrijverschap daaraan niet opofferen. Als een vriendin te duur wordt, is het afgelopen. Mijn houding is puriteins geweest. Je kan wachten. Op het seminarie heb ik geleerd geduldig te zijn. En je kan altijd naar de hoeren gaan.”

Zijn vechtlust en doorzettingsvermogen heeft Moses Isegawa gemeen met de hoofdpersoon van zijn boek, maar dat betekent nog niet dat Moegezi een zelfportret is, of de roman een autobiografie. “Ze zeggen nu dat mijn boek autobiografisch is. Dat is maar voor een heel klein deel zo. Het zijn verhalen, maar ze zijn zo goed verteld dat mensen ze geloven.” Dat komt, zegt Isegawa, omdat hij voor het eerst in zijn leven, en met succes, in de ik-vorm heeft leren schrijven. “Ik had daar eerst grote moeite mee. Als je op het seminarie zit, leer je dat Jezus alles is. Jij bent niemand. Dus voor ons is het moeilijk om over onszelf te praten, het is ongepast. Ik hield ook helemaal niet van ik-romans. Maar ik dacht: ik ga iets doen wat ik nooit voor mogelijk zou hebben gehouden.”

En het werkte, zelfs beter dan hij had gedacht. “Ik raakte in zo'n goede stemming, dat ik heel veel dingen kon verzinnen. De hoofdpersoon is voor een belangrijk deel een constructie. Dat is de lol van het schrijven. Je bent als een kameel. Langzaam laad je alles op je rug. Dan sta je op en ga je lopen, en denkt iedereen: wat een sterke kameel! En je loopt zo soepel, dat je helemaal niet meer voelt dat je zo'n last draagt. Je kunt het ook vergelijken met een Formule I-coureur. Als zijn auto heel goed is afgesteld, kan hij één worden met zijn machine, en gaat hij met 240 kilometer per uur de bocht door. Perfect! Zo ging het bij mij ook.”

Zijn 'ik', zegt hij, is wel “een beetje anders” dan in de meeste romans die hij in Nederland onder ogen kreeg. “Dit 'ik' is heel hard, het krast, het schuurt. Iemand zei tegen me: had er wat meer emoties in gedaan. Maar dan was het vervallen tot een gewoon ik-boek. Voor sentimentaliteit is geen plaats op het seminarie. Literatuur moet iets in je losmaken. Zachte boeken helpen niet. Ze zijn als popsongs, zo smooth.” Hij heft zijn handen en zingt zachtjes: “Oh, I love you so, I love you so, I can die.” Een schaterlach. “Na twee keer wil je zoiets niet meer horen. Maar als je naar jazz luistert, denk je: die bugle is zo boos, wat is er aan de hand met die muzikant?” Hij herkent dat in het werk van Jan Wolkers, of Jan Cremer. “Van hen zei men ook: oh, wat erg, wat een duivel. Maar ze hadden wel goed gegokt! Mensen klagen erover, maar tegelijk vinden ze het mooi.”

In zijn boek schildert Isegawa de gruwelen van Afrika in felle kleuren. Maar, zegt hij, hij wil de lezer geen ideeën opdringen. “Mijn roman gaat over mensen van vlees en bloed, die ook hier hadden kunnen leven. Het boek is wel politiek, maar zonder politiek te bedrijven. Het is niet pamflettistisch.” Toch kon hij het niet laten om het publiek bij een forumdiscussie in Groningen even te provoceren. “Ik zei dat elke keer als de dollar omhoog gaat, er in Afrika kinderen sterven. Dan voel je dat men terugdeinst. Maar dan maak ik wat grapjes over mijn boek, en dan beginnen ze weer te lachen.”

Isegawa mag wars zijn van pamflettisme, hij heeft uitgesproken politieke opvattingen. “Het gevecht om Europeanen te laten beseffen hoe machtig ze zijn, is nog maar net begonnen. Europa hoeft van mij niet op de knieën, laten we liever naar onze eigen dictators kijken. Maar het moet wel zijn houding veranderen: eerlijk zijn met de valuta, markten openstellen. Europese burgers moeten zich daar bewust van worden. Je ziet het ook aan Nederlanders, ze zijn verwend. Als je genoeg guldens hebt, denk je niet aan de kwartjes.”

Dreigbrief

Zijn uitspraak in een interview met Het Parool dat bijna alle asielzoekers economische vluchtelingen zijn, kwam hem te staan op een anonieme dreigbrief uit Oegandese kring. “Het was een instinctieve reactie, denk ik, van een gemeenschap die niet georganiseerd is. Maar ik sta aan hun kant. Dat hele onderscheid tussen politiek en economie is schijnheilig. Iedereen die geen eten heeft, heeft het recht het elders te proberen.”

Trouwens, als iemand zoiets mag zeggen, is hij het. “Sommige dingen kun je alleen over een gemeenschap zeggen als je er deel van uitmaakt. Alleen joden kunnen antisemitische grappen maken. Lees wat Philip Roth in Portnoy's Klacht schrijft over zijn neus, dat is geweldig grappig! Maar ík zou het niet kunnen opschrijven!”

Inmiddels is Isegawa's roman onder buitenlandse uitgevers verspreid, maar er zijn nog geen rechten verkocht. Zijn eigen familie in Oeganda heeft Abessijnse Kronieken nog niet gezien. Hoe zal die reageren op de wrede dood in het boek van Moegezi's ouders? “Mijn vader en mijn broers zullen het wel begrijpen”, zegt de schrijver. “Die weten iets van literatuur. Mijn moeder... ja, ik weet het niet. Zij is niet zo'n liefheber van literatuur.”

Maar zelf wil Isegawa eerst Anil Ramdas, die zich in de publiciteit over hem ontfermde en met hem bevriend raakte, eens vragen hoe het zit met de Nederlandse belastingen. Van zijn royalties hoopt hij een paar jaar te kunnen leven. Een tweede boek. Misschien verhuizen. “Zonder subsidie. Dat heb ik zo gewild. Onafhankelijk.”

    • Sjoerd de Jong