Vloeken met 90 kilometer per uur; Oegandese schelmenroman

Moses Isegawa: Abessijnse kronieken. Uit het Engels vertaald door Ria Loohuizen. De Bezige Bij, 623 blz. ƒ 49,50

Halverwege Abessijnse kronieken, de overrompelende debuutroman van Moses Isegawa, lezen we hoe de hoofdpersoon zich staande houdt op het katholieke seminarie waar hij als vroegwijze puber heen is gestuurd. De paters zijn gefrustreerde despoten, de oudere leerlingen zijn sadisten, en het eten zou zelfs de overal loslopende varkens een gruwel zijn. Om de pap van wormstekig maismeel en de bonenschotels met maden te vergeten, neemt de jonge Moegezi zijn toevlucht tot de bibliotheek - een plaats waar hij zich aanvankelijk alleen heeft laten zien om een wit voetje bij de priesters te halen. 'Ik viel op de bibliotheek aan alsof mijn leven er vanaf hing,' schrijft hij. En: 'Er waren periodes dat ik tussen de kaften van een bepaald boek leefde.'

Eenzelfde ervaring had ik de afgelopen dagen bij het lezen van Abessijnse kronieken (Abyssinian Chronicles). Hoe verder ik kwam in het verhaal van Moegezi, de Oegandese dorpsjongen die zich met de flair der wanhoop een weg baant in een wereld van dictatuur en anarchie, hoe meer ik werd meegezogen. Niet alleen door het helse beeld dat Isegawa schildert van de recente geschiedenis van Oeganda, of door de kracht en humor waarmee hij zijn personages gestalte geeft, maar vooral door de stijl. Ook in vertaling spat de plastiek van de pagina's. Bij Isegawa breekt een glimlach door 'met de flits van een splijtende kokosnoot' en wordt een landschap vergeleken met een reuzenoctopus: 'de berg was de kop, het moeras de lange kronkelende tentakels die om ons dorp heen kropen.' Voor het kleine, het geserreerde, is in Abessijnse kronieken nauwelijks plaats; vanaf de eerste bladzij heerst de heftige emotie en het grote gebaar. Isegawa paart de welbespraakte bravoure van zijn voorbeelden Jan Cremer en Muhammad Ali aan de woede en jachtigheid van Céline. Hij schrijft zoals een van zijn seminariepriesters vloekt: 'met negentig kilometer per uur'.

Niet dat Abessijnse kronieken schreeuwerig of oppervlakkig overkomt. De avonturen van Moegezi zijn larger than life, maar snijden tegelijkertijd belangrijke kwesties aan: de vernietiging van het Afrikaanse dorpsleven, de gevaren van religieus fanatisme, de betrekkelijkheid van de westerse beschaving, en de problemen van de illegale immigratie. Daarbij is Abessijnse kronieken een roman over dictatuur in al zijn verschijningsvormen - van de tirannie van een krengige moeder of een machtswellustige pater tot Idi Amins 'drieduizendtien dagen van onderdrukking, moord, geheimzinnige verdwijningen, ontvoeringen en buitenissigheden in folterkamers.'

Stakige benen

Zeven delen telt Abessijnse kronieken, het ene nog spectaculairder dan het andere. Er is de introductie ('...1971: de jaren in het dorp') waarin Moegezi de geschiedenis van zijn ouders verbindt met zijn eigen krankzinnige maar paradijselijke kindertijd op het Oegandese platteland. Er zijn hoofdstukken over zijn verhuizing naar de stad en zijn opvoeding temidden van vernedering en liefdeloosheid. We lezen over Moegezi's schooltijd en seminarietijd, over de moeite die hij en zijn familieleden moeten doen om in leven te blijven tijdens de Amin-terreur en de daaropvolgende burgeroorlog. En uiteindelijk volgen we onze held tot in Nederland, waar hij op uitnodiging van een schimmige hulporganisatie eind jaren tachtig geld moet inzamelen voor zijn hongerende en door aids getroffen landgenoten. Een taak die hem met walging vervult, al was het alleen maar omdat hij moet leuren met de doodsfoto van een vrouw die hem doet denken aan zijn jong gestorven lievelingstante: 'Op de foto lag ze op een mat, met haar kadaverachtige gezicht omhoog, haar ogen zwemmend in slijmerige gaten, haar knieën en haar stakige benen schokkend bloot: een volmaakt plaatje van een langzame martelende dood. Het bedrag dat dit kadaver zou opbrengen zou druppelsgewijs in Afrika terechtkomen, om vervolgens rechtsomkeer te maken in de vorm van internationale schuldaflossing. Het Afrikaanse continent leek precies op tante in haar laatste dagen: het kleine beetje voedsel dat er van boven inging lekte er van onderen weer uit.'

Hoewel er in Abessijnse kronieken veel aandacht is voor Moegezi's familie - vooral de levens van zijn vader Serenity en zijn moeder Nakazi, bijgenaamd 'Hangslot', worden uitgebreid beschreven - is het de montere verteller die het scherpst voor ons oprijst. Moegezi, geboren tijdens een legendarische regenbui in de wittebroodsweken van Oeganda's onafhankelijkheid (1962), is een intrigerende rouwdouw met een gezonde belangstelling voor seks en macht - geknipt voor 'de bandeloosheid, de alles-moet-kunnen-geest van de jaren zeventig'. Als dorpsjongetje helpt hij zijn oma bij haar werk als vroedvrouw, als scholier moet hij de smerigste klusjes opknappen voor een moeder die hem haat, en als seminarist is hij de schijnbare conformist die er een sport van maakt om de autoriteiten het bloed onder de nagels vandaan te halen. Groots en meeslepend leven is hem niet genoeg, hij wil 'mensen uit de kaken van de dood bevrijden en anderen tot de ingewanden van de hel veroordelen.' Geen wonder dat hij lange tijd Idi Amin als zijn grote voorbeeld beschouwt.

Moegezi overleeft 'door telkens nieuwe rollen in te studeren en die zo goed mogelijk te spelen.' Anders dan de ik-figuren van Céline, aan wie hij af en toe doet denken, is hij geen toeschouwer die scheldt op een verrotte wereld die hem maar niet met rust wil laten. Hij registreert de verschrikkingen, of het nu een marteling met cobra is, een lynchpartij met scheermessen of een beestachtige verkrachting. Maar hij raakt er niet door ontmoedigd. Want, zoals hij het zelf formuleert: 'Ik zou de dood in een tijdloze omhelzing nemen, in het gezicht kijken en er een handlanger van maken.' Moegezi is de man zonder illusies, de moderne Afrikaan die niet omkijkt in nostalgie, zelfs niet wanneer hij na jaren terugkeert in het dorp van zijn jeugd en alleen nog ruïnes in een moeras aantreft.

Krokodil

Als epische familiegeschiedenis met een flinke dosis exotica is Isegawa's debuut al vergeleken met Honderd jaar eenzaamheid. Maar afgezien van de openingszin van de roman ('Terwijl hij tussen de kaken van de kolossale krokodil verdween flitsten er drie laatste beelden door Serenity's hoofd...') is er weinig dat direct aan Márquez' meesterwerk doet denken. Abessijnse kronieken is geen generatieroman met een overheersende rol voor de spoken uit het verleden. Het is een schelmenroman over een laconieke ik-figuur die zich met hart en ziel probeert aan te passen aan de moderne samenleving. Als Isegawa zijn verhaal niet zo expliciet in de herkenbare recente geschiedenis had gesitueerd, zou je het kunnen beschouwen als de Afrikaanse pendant van The Adventures of Augie March van Saul Bellow. Zwart Afrika mag dan het voornaamste onderwerp van Abessijnse kronieken zijn, het is vooral de westerse, negentiende-eeuwse verteltraditie die bij Isegawa aanwijsbaar is.

De verleiding is groot om de 34-jarige Isegawa te annexeren als Nederlands schrijver. Per slot van rekening woont hij al acht jaar in Beverwijk en verklaart hij zich onder meer schatplichtig aan Jan Wolkers, wiens voorliefde voor bijbelse barok en sensueel proza hij deelt. Maar het in het Engels geschreven Abessijnse kronieken - dat zijn enigszins misleidende titel dankt aan de volksetymologie van het woord Abyssinia (land van afgronden) - is net zo Hollands als cassavechips of Victoriabaars. Wat niet uitsluit dat Nederlandse lezers extra veel plezier zullen beleven aan de passages die spelen in de polders ('groene lappen drooggelegd land die op zorgvuldig getekende landkaarten leken'), de Wallen ('een dodelijke stormlamp') en de Bijlmermeer ('een Tuin overwoekerd door teleurstelling, isolatie en gelegaliseerde misdaad').

Na meer dan zeshonderd bladzijden, die alleen sporadisch ontsierd worden door stilistische overdaad en overdreven plotwendingen (een onwaarschijnlijke incestueuze relatie, een plotselinge aanval van vrouwenhaat), staat Moegezi met een vals paspoort en nieuwe plannen op het plein voor het Centraal Station in Amsterdam. 'Het was voor Abessijnen altijd al een herculesarbeid geweest om een voet tussen de deur te krijgen,' schrijft hij, 'maar als ze eenmaal binnen waren kreeg je ze niet meer weg. Ik was binnen.' Zijn geestelijke vader, de wonderdebutant Moses Isegawa, kan trots hetzelfde zeggen. Hij is binnen, en laten we hopen dat hij nog lang zal blijven.