Veertig jaar geleden

Opeens had ik heimwee. Naar de kerstdagen van 1958 toen ik mij stierlijk verveelde. Ik was kunstredacteur van Het Vrije Volk in Rotterdam, een benijdenswaardige baan, ik woonde met vrouw en kat in een geriefelijke flat op de hoek van de Goudsesingel en Meent, ik had een tiental boeken gepubliceerd en er drie literaire prijzen voor gekregen, wat zou ik klagen.

Ik klaagde. Er ging geen week voorbij of ik zag drie films en twee toneelvoorstellingen waarover ik recensies moest schrijven. En eigenlijk wilde ik een roman schrijven, het liefst met masochisme als thema. Maar mijn hemel, iedere dag volgde ik in bioscoop of schouwburg kritisch de ontwikkeling van andermans verhalen. Mijn hoofd was er vol van. Ik kon er geen plaats in vinden voor een eigen verhaal, en ik ging verhalen wantrouwen. Een schrijver in de kracht van zijn jaren, zonder genre, gefrustreerd, zo at en dronk ik die kerstdagen in mijn eigen flat en in de flat van mijn ouders aan de Statensingel in Blijdorp.

Als iedereen wist ik dat het woord masochisme was gevormd naar de naam van een negentiende-eeuwse Oostenrijkse romancier, Leopold von Sacher-Masoch. Uit verveling zocht ik in mijn eigen encyclopedie, een nieuwe Winkler Prins, en in de encyclopedie van mijn ouders, een oude Oosthoek, en vond bijna niets. In de literatuurgeschiedenissen die mijn ouders en ik bezaten vond ik bijna niets. Het was een trage inspiratie. Ik bedacht dat ik mijn belangstelling voor het masochisme, waar ik mij ongelukkig bij voelde, kon gebruiken voor onderzoek naar de naamgever. De dag na Kerstmis liep ik naar de Gemeentebibliotheek, toen aan de Botersloot, vlak bij mijn huis, en er volgden heerlijke maanden. De Gemeentebibliotheek wist weinig van Sacher-Masoch maar was bereid om bij bibliotheken in binnen- en buitenland naar hem op zoek te gaan. We deden ons best, vonden heel wat en ik kon proberen mij een beeld te vormen van werk en persoon. Mooie novellen uit het land van zijn kindertijd, Galicië, vol drieste rovers, geteisterde boeren, dappere vrouwen. Hij werd erom gewaardeerd, in het Duitse taalgebied en ook door de Fransen die in hem een opvolger van Toergenjev zagen. Hij was in 1836 in Lemberg geboren, leerde Roetheens van zijn kindermeisje, Frans van zijn gouvernante en pas toen zijn vader, de politiedirecteur, naar Praag was overgeplaatst, hij was toen twaalf, leerde hij echt Duits. Kleinrussen, joden en de nogal gehate Polen inspireerden de Oostenrijker.

Eerherstel voor de verdienstelijke verteller. Hij was ook een man van ideeën. Aan Schopenhauer ontleende hij de gedachte dat liefde niets anders is dan teeltkeuze, en poneerde tevens dat het met liefde en huwelijk alleen iets kon worden wanneer man en vrouw als gelijkwaardig werden beschouwd. Oostenrijk-Hongarije eerde hij als voorafschaduwing van de Verenigde Staten van Europa. Bismarck, Pruisen, Duitsland verafschuwde hij vanwege machtsdrift en materialisme. Om het antisemitisme te bestrijden schreef hij lieve geschiedenisjes over eenvoudige joden. De lectuur van zijn theoretiserende romans wond mij niet op, en ik vrees dat zijn tijdgenoten er evenmin van hielden.

Bij hen werd hij beroemd en berucht door boeken over wrede vrouwen, de novelle Venus im Pelz, over een masochistische vrouw. Krafft-Ebing (dr. Richard Fridolin Joseph Freiherr Krafft von Festenberg auf Frohnberg genannt Von Ebing) plunderde, als tegenpool voor het begrip sadisme dat al bestond, voor de lust om te lijden de naam van een nog levende auteur. In 1886 verscheen Psychopatia sexualis. In 1895 stierf Sacher-Masoch, vrijwel vergeten behalve als naamgever aan een seksuele aberratie.

Van januari tot september 1959 zat ik iedere beschikbare avond en nacht in mijn kamer op de zevende verdieping te lezen en aantekeningen te maken. Het was er stil. Zo nu en dan vreesde ik dat er iets mis was met mijn hart, zo'n rare sensatie kreeg ik, maar het kwam door het huis dat licht trilde wanneer een truck met aanhangwagen over de lege Goudsesingel onder mij voorbijdenderde. Mijn vrouw ging om tien uur naar de slaapkamer, met de poes, en de poes kwam om een uur of één naar mijn kamer, sprong op het boek dat ik zat te lezen en ik aaide haar, mijn hoofd vol wrede vrouwen in bontmantel. Heel zeker om over te lachen, en ik moest telkens niezen want het papier van de negentiende-eeuwse boeken verpulverde onder mijn neus. Hoe zielig was Sacher-Masochs schrijversloopbaan.

Over de persoon wilde ik weten. Een biografie, geschreven door een leerling in literatuur en masochisme, de autobiografie van zijn woedende eerste vrouw, studies van Fransen en Engelsen die sensatie zochten en erop los roddelden met het air van een geleerde. Ik was geamuseerd en wanhopig. Hoeveel boeken heb ik in die maanden gelezen, doorgebladerd, geëxcerpeerd?? Vijftig, zestig, zeventig en ik leerde de schrijver goed kennen, de man niet. Hij bedreef de liefde met jonge toneelspeelsters, hij verwekte kinderen voor zijn huwelijk en tijdens zijn twee huwelijken. Hij was overtuigd van zijn talent. Hij was héél gauw gekwetst door kritiek. Hij begeerde afgeranseld te worden door een vrouw in bontjas. Gekke verhalen te over in die biografieën. Toen ik alles gelezen had geloofde ik zelfs die gekke verhalen niet meer. Ik had, dacht ik, een jonge man moeten zijn, wetenschappelijk opgeleid, rijk of voorzien van een studiebeurs voor drie jaar, en naar Oostenrijk moeten reizen voor echt onderzoek. Een amateur van zevenendertig, in een Rotterdamse flat met vrouw en poes, nee, die zou het bizarre leven van Sacher-Masoch niet ontraadselen.

Ik schreef een heel uitvoerig essay, ik vertaalde twee mooie, sympathieke novellen, en het boek verscheen: Martelaar voor een dagdroom. Het werd welwillend ontvangen door recensenten die nog nooit van Sacher-Masoch hadden gehoord en de in die tijd hoog gewaardeerde psychiater prof.dr. H.C. Rümke schreef: 'De titel is een schitterende vondst. De principiële onmogelijkheid deze dagdroom in werkelijkheid om te zetten heb ik nooit zo duidelijk beseft.'

In 1961 vertrokken mijn vrouw en ik voor een jaar naar Griekenland waar ik een roman wilde schrijven met een masochist als hoofdpersoon. De poes brachten wij onder bij vrienden die haar niet meer kwijt wilden toen wij terug waren. Zij logeerde een paar weken bij ons, in vakantietijd. Om tien uur liep zij met mijn vrouw mee naar de slaapkamer. Om één uur kwam ze mijn kamer binnen en ging op mijn boek liggen.