Uitsterven is doodnormaal

De Amerikaanse journalist David Quammen reisde in het spoor van Alfred Russell Wallace naar het 'Maleise Eilandenrijk' en sprak met talloze biologen over het verdwijnen van honderden plant- en diersoorten. Hij schreef er een verontrustend en machteloos makend boek over dat nu in het Nederlands is vertaald. David Quammen: Het lied van de dodo. Vertaald uit het Engels door Peter Out. (The song of the dodo, Simon & Schuster 1996). Atlas, 736 blz. ƒ 79,90

In de boekenkast van ons ouderlijk huis stond de Bosatlas. Als tien- of elf jarig jongetje verloor ik me middagen lang in de atlas, routes uitstippelend voor mijn reizen naar Zanzibar, Madagascar of Mauritius. Ik reisde die eilanden langs en overwoog steeds of het schip wel voldoende voedsel en water aan boord had om het volgende eiland te halen. Als ik daaraan twijfelde, tekende ik met blauwe ballpoint een eiland op de kaart om er te kunnen overnachten en gaf het een naam: Kunia del Mar, of nieuw-Rialto.

In de loop der jaren was die atlas steeds voller geraakt met eilanden. Ze waren stuk voor stuk ingetekend met blauwe ballpoint, maar toch meende ik precies te weten welk eiland bij welke reis hoorde, hoe het eruit zag, welke planten en dieren er leefden en of de bewoners veel of weinig ruzie maakten. Mannelijke eilandbewoners liepen naakt, de vrouwelijke gingen gekleed in grasschortjes en houten bustehouders. In de buurt van een eilandbewoner liep altijd wel een van zijn lievelingsdieren: een rat, kat, varken of geit. Dat er helemaal geen ratten, katten, varkens of geiten voorkomen op eilanden waar nog nooit een westerling aan land is geweest, kwam, geloof ik, niet in mijn hoofd op. Laat staan dat ik erover na zou hebben gedacht dat het loslaten van exoten op eilanden een verwoestende werking kan hebben op inheemse plant- en diersoorten.

Op een middag zou ik weer naar de eilanden gaan en pakte de Bosatlas. Ik schrok. Tot mijn ontsteltenis was het eilandenboek vervangen door een splinternieuwe atlas, nog niet gekaft, dikker dan de oude en vast en zeker vollediger. Ik bladerde door de woestenij in het nieuwe boek: de zeeën kaalgeslagen, alle ballpoint-eilanden met naam en al door het water verzwolgen.Zelfs de ingetekende bultruggen en vinvissen die het schip op zijn tochten altijd trouw hadden vergezeld, waren verdwenen. Nergens spoot meer water uit de zee. Waar was de Bosatlas gebleven?

Dat ik deze volgekliederde atlas terugvond in mijn hoofd, is te danken aan Het lied van de dodo. Dit is een dik boek over eilandbiogeografie van David Quammen, een Amerikaanse journalist met een blinde vlek voor wiskunde. Quammen schrijft populistisch en formuleert biologische inzichten niet altijd scherp, maar het heeft ook voordelen dat er een journalist aan het woord is en niet een biogeograaf met een mathematische inslag. Het boek is opvallend onacademisch en beeldend geschreven. Quammen reist in het spoor van Alfred Russel Wallace, medeontwerper van de evolutietheorie en tijdgenoot van Darwin, naar 'het Maleise Eilandenrijk.' Bovendien bezoekt hij eilandbiogeografen over de hele wereld en doet, vaak wat uitvoerig, verslag van zijn ontmoetingen. In Het lied van de dodo wordt Quammens machteloze woede voelbaar over het verloren gaan van honderden, misschien duizenden, plant- en diersoorten die alleen op eilanden voorkomen. Dat gevoel van machteloosheid herken ik.

Geologische tijdschaal

Vaak wordt gezegd, ook door biologen, dat er niets aan de hand is. Uitsterven is een gewoon verschijnsel, ontstaan en uitsterven van een biologische soort horen bij elkaar zoals geboorte en dood. Waar zijn die 99.9 procent van alle plant- en diersoorten die ooit op aarde ademden, gebleven? Uitgestorven. Soms zijn ze geëvolueerd tot andere soorten, soms zijn ze echt opgehouden te bestaan, een doodgelopen tak. Zolang er nieuwe planten en dieren zullen ontstaan, zijn ze voorbestemd op een dag weer te verdwijnen. Is er dus 'niets aan de hand'? Dat hangt er vanaf op welke geologische tijdschaal je kijkt. Wanneer er op een dag geen mensen meer zullen zijn - dat het ooit zover komt is een statistische verwachting, geen dreigement - maar nog wel planten, dieren, schimmels en andere levende wezens, dan zullen de overlevingskansen van veel soorten stijgen. Er zal een einde komen aan door mensen veroorzaakte evolutie, de antropogene, die op dit moment allesoverheersend is. Natuurlijk zullen er ook dan soorten verdwijnen, maar wie weet niet meer in zo'n gruwelijk hoog tempo als nu het geval is. De snelheid waarmee nieuwe plant- en diersoorten ontstaan, zou op zijn minst gelijk op kunnen gaan met het tempo waarmee andere uitsterven. Verliezen worden in dat geval gecompenseerd door het ontstaan van nieuwe soorten. In vaktaal heet dit 'extinctie op achtergrondniveau' en wanneer in dit sukkelgangetje wordt uitgestorven, valt te verdedigen dat er 'niets aan de hand' is.

Wie Homo sapiens kan beschouwen als een kortstondige popster die heel even van zich horen laat, om dan voorgoed weer te verdwijnen, heeft een rustig bestaan. Dit is het kalmerend perspectief van de paleontoloog statisticus die het fossiel archief van de laatste 3,5 miljard jaar overziet. In die periode is het minstens vijf keer voorgekomen dat in relatief korte tijd het grootste deel van de soorten op aarde werd weggevaagd. Mocht het zo zijn dat we nu weer zo'n periode van massaal uitsterven beleven, dan zou het zeker de eerste keer niet zijn. Waarschijnlijk denk ik te antropocentrisch en te weinig als een paleontoloog statisticus om dat een geruststellend idee te vinden.

De afgelopen eeuwen zijn in een steeds hoger tempo planten en dieren uitgestorven. Vooral op oceanische eilanden is het hard gegaan. De overlevende soorten worden in hun bestaan bedreigd, hun habitats worden aangetast of vernietigd. Ze worden bejaagd, vergiftigd, weggeconcurreerd, of opgevreten door exoten. Op het vasteland gebeurt hetzelfde, al zijn de soorten van het vasteland vaak minder kwetsbaar dan snel in elkaar getimmerde eilandbewoners met een beperkte verspreiding. Op het vasteland raken de laatste bossen gefragmenteerd, natuurlijke landschappen worden versneden, leefgebieden van grote zoogdieren, zoals wolven, poema's en tijgers krimpen snel. Territoria en jaaggebieden worden te klein, het aantal dieren per snipper bos wordt zo laag dat inteelt dreigt. Die bosfragmenten hebben voor moeizaam reizende planten en dieren het karakter van eilanden en van deze quasi-eilanden komen er steeds meer bij. Ook geïsoleerde bergtoppen, met bos begroeid, zijn te vergelijken met eilanden. Hetzelfde geldt voor grotten die in het landschap verspreid liggen. Voor een spin kan die ene grot de wereld zijn, de volgende veel te ver om als een ballon aan een draad naar toe te zweven.

Fruitvliegjes

Eilanden spelen een belangrijke rol in de evolutiebiologie. Vooral op kleine eilanden kunnen snel nieuwe soorten ontstaan, die worden gekenmerkt door preciese aanpassingen. Anders dan soorten op continenten waar omstandigheden van plaats tot plaats verschillen en een wat globaler aanpassing lonender kan zijn. Wie soortvorming wil onderzoeken, vindt op een archipel, zoals de Galapagoseilanden, vaak de ideale omstandigheden. Toch is het niet per se nodig daarheen te gaan, al zijn die eilanden uniek. Want elke eilandarchipel is uniek. Quammen benadrukt dat uniek zijn doodnormaal is, en dus komen er veel meer eilanden in aanmerking, zoals de Hawaiiaanse met zijn honingkruipers en duizend soorten fruitvliegjes.

Op eilanden en vooral op eilandarchipels is vaak nog te achterhalen hoe evolutie werkt. Er vinden voortdurend evolutionaire experimenten plaats met betrekkelijk kleine groepen individuen die maar een klein deel van het genenreservoir herbergen van de hele soort. Maar het begint ermee dat een plant of dier een eiland moet zien te bereiken. Of dat lukt hangt af van de afstand van het eiland tot het vasteland, van de oppervlakte van het eiland, van de eigenschappen van de migrant en verder van omstandigheden die toevallig kunnen zijn: een storm, een dag met sterke stroming op zee. Op eilanden evolueren vastelandbewoners tot vreemd gebakken vormen, die op een continent nooit een kans zouden krijgen door de nivellerende werking van de massa.

De eerste generatie kolonisten heeft zwemmend, vliegend, of dagenlang stilzittend op een boomstronk een eiland bereikt, maar voor de nazaten staat aarden naar hun ouders gelijk aan zelfmoord. Alleen dieren die gevaarlijk ouderlijk gedrag juist niet vertonen, zullen overleven. Op de lange duur raken ze er zelfs in bouw op ingesteld om niet te doen, maar te laten: niet lopen, niet zwemmen en vooral niet vliegen, of dobberen op een boomstronk. Op kleine eilanden krimpen de verre nazaten van zeeminnende olifanten schrikbarend tot waterschuwe dwergen. Goed vliegende duifachtige vogels veranderen in onhandige waggelkonten, die nooit meer van de grond komen. Een voorbeeld is de uitgestorven dodo van Mauritius, symbool voor alle verdwenen eilandbewoners: de reuzenschildpadden van de Mascarenen in de Indische oceaan die zo groot werden als beren, de reuzenstruisvogel Aepyornis van Madagascar die eieren legde met een inhoud van acht liter, de Tasmaanse buidelwolven, die net als de oorspronkelijke Tasmaanse bevolking werden uitgemoord. Dwergnijlpaarden en reuzenhagedissen, niet-vliegende rallen, insecten met gedegenereerde vleugeltjes die nergens meer goed voor zijn. En niet te vergeten de vos van de Falklandeilanden die niet meer kon wantrouwen.

Als dieren generaties lang geen vijanden hebben, kunnen ze hun alertheid verliezen en volledig opgaan in sloom duikelen. Totdat er mensen, gegarandeerd zwaaiend met knotsen en messen, het eiland ontdekken. Dan is het meestal snel afgelopen en daarvan geeft Quammen meer en sprekender voorbeelden dan ik ooit eerder bij elkaar gebracht zag.

Soms is het mogelijk te achterhalen waardoor er op het ene eiland andere combinaties van soorten voorkomen dan op het andere. Je zou haast gaan denken dat er een taboe rust op het samen voorkomen van bepaalde combinaties van soorten op een eiland. Zijn die verspreidingspatronen het gevolg van 'toeval', of van een in het verleden gestreden concurrentieslag om voedsel of ruimte? Af en toe lukt het daarvan iets te begrijpen. Quammen noemt het eiland Angel de la Guarda in de Golf van Californië in verband met ecologische rolverdeling: 'Het herbergt twee soorten ratelslangen die ook op het vasteland van Mexico voorkomen. Op het vasteland is Crotalus ruber ongeveer tweemaal zo groot als Crotalus mitchelli. Op het eiland is hun verhouding juist tegenovergesteld: Crotalus mitchelli is groter geworden en Crotalus ruber kleiner, zodanig zelfs dat de 'kleine' soort twee maal zo groot is als de 'grote' soort. Waarom zou zoiets gebeuren? De hypothese van Case is dat Crotalus mitchelli, klein op het vasteland, Angel de la Guarda gekoloniseerd had voordat C.ruber verscheen. Deze chronologische volgorde kan op puur toeval hebben berust, maar toeval heeft zijn consequenties. Door eerder te arriveren kon C.mitchelli zo'n voorsprong op weg naar gigantisme opbouwen dat C.ruber toen hij verscheen verplicht was de andere richting in te slaan en dwerggroei te ontwikkelen. Omdat de niche voor grote ratelslangen al door C. mitchelli was bezet, moest C.ruber het met andere woorden doen met de niche voor kleine ratelslangen. Zo zou het kunnen zijn gegaan.

Eilandje bos

Hoeveel bomen heb je nodig om het bos niet meer te zien? Hoeveel bomen moeten er minimaal worden beschermd om niet permanent te hoeven leven met de gegronde angst dat het eilandje bos binnen afzienbare tijd zal zijn verdwenen? Welk oppervlak moet het fragment bestrijken om erop te kunnen vertrouwen dat er over een eeuw, of over duizend jaar, nog dezelfde planten en dieren te vinden zullen zijn als vandaag? Om daarover iets zinnigs te kunnen zeggen, om te weten of je beter een enkel groot natuurreservaaat kunt maken dan meerdere kleine, heb je een theorie nodig van eilandbiogeografie. Zonder theorie die betrouwbare voorspellingen oplevert over het oppervlak dat minimaal nodig is, kun je geen eilanden, of snippers bos beschermen. Die theorie is er sinds 1967. In dat jaar publiceerden de wiskundige en ecoloog MacArthur en de biogeograaf Wilson een boek dat belangrijk zou worden: The theory of Island Biogeography.

Zoals altijd is er het gevaar dat de theorie zal worden misbruikt. Voorspellen eilandbiogeografen dat er minstens vijftig vogels nodig zijn om een vogelsoort nog even uitstel van executie te geven, dan is de kans groot dat beleidsmakers de soort zullen afschrijven zodra er nog maar negenveertig exemplaren over zijn. Dat spaart geld. Quammen maakt duidelijk dat dat niet terecht is en geeft het voorbeeld van de Mauritius-torenvalk waarvan er kort geleden nog maar een stuk of zes over waren. Dankzij de inspanningen van gepassioneerde vogelaars is de Mauritius-torenvalk er nog steeds en groeit hun aantal. Zoiets is hoopgevend. 'Als je de Mauritus-torenvalk kunt redden' zegt een van de biologen, 'kun je praktisch alles redden'.