U vraagt, het CPB draait

Het Centraal Planbureau publiceerde gisteren een economische analyse van de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen. Het CDA springt er in negatieve zin uit. De coalitiepartijen leveren dezelfde prestaties. Het CDA moet dus in de aanval.

DEN HAAG, 27 MAART. De rapportcijfers zijn binnen en hoe slecht die ook zijn, alle leerlingen blijken tevreden. Wie een goed rapport heeft, wijst naar de zwakke prestaties van de ander en wie een slecht rapport heeft kritiseert de schoolmeester.

De VVD noemt het eigen verkiezingsprogramma na doorberekening door het Centraal Planbureau (CPB) “zeer solide”, het CDA kwalificeert zichzelf als “degelijk en sociaal”, D66 spreekt van een programma “in balans”, GroenLinks ziet zijn programma als “wenselijk en haalbaar” en de PvdA beschouwt het zijne als “ambitieus en realistisch”.

De beoordeling door het CPB van de verkiezingsprogramma's van de grote partijen is enigszins een vreemde exercitie. Politieke partijen onderwerpen zich aan het model van het planbureau. Een 'dom' model, want wat je erin stopt, komt er ook weer uit. Als die uitkomst gunstig is, incasseren partijen de winst, zijn de berekeningen ongunstig, dan kritiseren ze de methode.

Eerst de prestaties. Wanneer de politieke partijen zich nergens mee bemoeien, komen er in de volgende kabinetsperiode 250.000 banen bij als de economische groei 2 procent is. De drie paarse partijen - PvdA, VVD en D66 - behalen met hun programma in de periode 1999-2002 een extra groei van de werkgelegenheid van rond de 100.000 banen. Het CDA blijft daar met 25.000 banen ver bij achter en GroenLinks behaalt - via een verplichte inlevering van arbeidsduur en loon met zo'n tien procent - met 150.000 banen de grootste groei. Tegelijk financieren de regeringspartijen hun beleid deels met uitgaven die eerst nog verdiend moeten worden en werkt het programma van GroenLinks op langere termijn dramatisch slecht uit.

Het meest markante verschil is de geringe banengroei bij het CDA vergeleken met die van de andere partijen. Deze is voor een belangrijk deel het gevolg van een politieke keuze - het afzien van een algemene lastenverlichting. Waar andere partijen kiezen voor belastingverlaging, kiest het CDA voor het revitaliseren van het sociale gezicht. Pleitten de christen-democraten vier jaar geleden nog voor bevriezing van alle uitkeringen, inclusief de voor het CDA zo belangrijke AOW, nu zet de partij vol in op inkomensondersteuning voor zwakke groepen. “Het aanpakken van de sleetse plekken in de samenleving”, zoals de christen-democraten dat noemen. Pech voor het CDA: daar slaat het CPB-model nu net niet op aan.

Dit model is vooral uiterst gevoelig voor voorstellen die het verschil tussen de hoogste uitkering en het laagste loon vergroten. Hoe groter dat verschil, hoe meer banen het CPB voorspelt. Het CDA heeft die afstand juist verkleind door bijvoorbeeld meer geld uit te trekken voor de huursubsidie. Die komt voor een groot deel terecht bij mensen met een uitkering die de subsidie weer kwijt raken als ze een baan accepteren. Geen groei van de werkgelegenheid derhalve. Was het CDA minder concreet geweest en had het zijn geld gezet op een algemene lastenverlichting, dan zouden aanzienlijk gunstiger werkgelegenheidscijfers uit het CPB-model zijn gerold.

Logisch dat het CDA kritiek heeft op het 'domme' model. Dit model kan bijvoorbeeld niet becijferen hoeveel werkgelegenheid regelingen in de zorgsfeer opleveren. En juist het CDA, dat een gezinsvriendelijk programma heeft opgesteld, investeert veel in zaken als zorgverlof.

Zijn andere partijen dan handiger geweest? Feit is dat de beoordeling van het planbureau nooit autonoom tot stand komt. Partijen lichten hun programma en beweegredenen vooraf toe aan de cijferaars van het planbureau en hebben daarna - vóór publicatie van de cijfers - nog de gelegenheid de uitkomsten aan te vechten. Zonodig schuiven de partijen nog eens stevig met hun begrotingsposten zodat het CPB-model dan betere resultaten geeft.

Met enige verbazing zal een VVD'er lezen wat die 'trucs' zijn partij hebben opgeleverd. Zo stelt het CPB glashard dat de VVD bijna een half miljard op defensie bezuinigt en dat de partij, na de PvdA, voor de meeste extra overheidsbanen zorgt. 'Branchevreemd' is voor de liberalen ook dat hun programma net als dat van de PvdA, D66 en GroenLinks de inkomens nivelleert en de laagstbetaalde werknemer erop vooruit laat gaan.

Het planbureau zelf ziet het gegoochel met door haarzelf geleverde cijfers hoofdschuddend aan. Absolute cijfers gaan naar de zin van het CPB teveel een eigen, electoraal, leven leiden, terwijl er nog zoveel onzekerheid aan de aannames kleeft. Zo grijpt bijvoorbeeld het GroenLinks-program zo diep in in het economische leven dat geen model daar nog tegen opgewassen is.

Om maar niet onderdeel te worden van het politieke cijferspel hadden de rekenmeesters van het kabinet liever hun doorberekening zo ver mogelijk voor de verkiezingen gepresenteerd, de onderhandelingen met de partijen vergde echter veel tijd.

De cijfers van het planbureau zijn dan ook meer dan rapportcijfers, ze dienen ook als munitie voor politieke partijen in verkiezingstijd. Waar bijvoorbeeld PvdA'er Melkert eerder het CDA nog omarmde als het sociale alternatief voor Paars, grijpt hij nu het negatieve CDA-resultaat aan om de christen-democraten klein te houden en erop te wijzen dat ze bij formatie-onderhandelingen niet te hoog van de toren kunnen blazen. “Het CDA heeft zich uit de markt geprezen”, heet het dan.

Het CDA kan niet anders dan de andere partijen aanvallen op hun boterzachte cijfers. “De paarse partijen rekenen zich rijk”, zei De Hoop Scheffer, de lijsttrekker van het CDA. Hij stak een biljet van vijftig en van vijfentwintig gulden in de lucht. “Wat bij paars 50 gulden kost, betalen ze met 25 gulden; de rest moet nog worden verdiend.”

Cijfers zijn ogenschijnlijk objectief, maar niet in de politiek.