Succes van schrale grond; Nederlandse film na de Oscar voor 'Karakter'

Dat regisseur Mike van Diem deze week in Hollywood voor zijn film Karakter de Oscar voor de beste buitenlandse film kreeg, is verheugend. Maar betekent het succes van Karakter nu automatisch dat er meer geld in in grote vaderlandse filmproducties gepompt moet worden? “Meer budget is geen garantie voor meer kwaliteit.”

De lovely - om even in Oscar-termen te blijven - Tamar van den Dop was niet meegevraagd naar Hollywood, toen daar maandag de Oscar voor de beste niet-Engelstalige film werd uitgereikt. En dat terwijl ze in Karakter een belangrijke rol speelt. Haar rol aan het thuisfront was echter des te groter, want alle Nederlandse televisiestations waren op het idee gekomen om juist Tamar in haar woonplaats Amsterdam te volgen en te vragen naar haar indrukken voor, na en tijdens de Oscar-uitreiking.

'Vind je het jammer dat je er niet zelf bij bent?', was ieders eerste vraag. Tamar van den Dop keek dan even de andere kant op en zweeg enkele seconden - stil leed vertolkend. Vervolgens zei ze moedig: 'helemaal niet'. Het kwam prachtig uit want de woonkamer moest vandaag nodig gewit worden.

Omdat deze scene zich op vele tv-zenders herhaalde, heb ik me afgevraagd of het vertoon van moedig verwerkte teleurstelling nu echt of gespeeld was. Misschien een onzinnige vraag - bij acteurs lopen schijn en werkelijkheid immers in elkaar over. Maar de indruk dat er in het optreden van Tamar van de Dop sprake was van enig beleid werd versterkt door de antwoorden die ze gaf op de tweede vraag: welke betekenis heeft deze Oscar voor de Nederlandse film?

Wat zij dan zei, heeft de gehele Nederlandse filmwereld als muziek in de oren geklonken. Er moet, van overheidswege, meer geld voor de Nederlandse film beschikbaar worden gesteld, nu in Hollywood wederom is gebleken dat de Nederlandse film het hoogste kan bereiken. En dan niet voor low budget- produkties van bescheiden omvang. Nee, grote films moeten het zijn, want low budget-produkties zijn de hond in de pot, en leveren ook maar weinig werk voor acteurs op.

Deze charmant verwoorde redenering was onmiskenbaar een wonder van timing. Binnenkort spreekt het parlement over belastingvoordelen bij investering in de Nederlandse filmproductie, en deze week nog stopte de minister van economische zaken - kennelijk aangestoken door de Oscar-vreugde - vijftien miljoen in een potje waarmee meer particulier kapitaal naar de Nederlandse film moet worden getrokken.

Op zichzelf bewijst zo'n Oscar natuurlijk weinig, zoals bleek toen een andere Nederlandse film, de feministische draak Antonia, twee jaar geleden de Oscar won. Van een werkelijke overwinning zal pas sprake zijn als Karakter in de Verenigde Staten en elders een kritisch succes zal blijken en aan de kassa een eerbiedwaardige indruk maakt. De bezoekersaantallen in Nederland en België waren tot nu toe weinig bemoedigend.

Het ontgaat me dan ook, waarom de internationale erkenning voor Karakter aantoont dat er in Nederland meer dure films moeten worden gemaakt. De zekerste manier om een prille Nederlandse filmindustrie om zeep te helpen is integendeel om nu op korte termijn een groot aantal dure films in produktie te nemen, die dan de een na de ander zwaar verliesgevend blijken. Het is lang niet zeker dat men in Hollywood bereid zal zijn met enige regelmaat Nederlandse films de hoogste eer te gunnen, als een doekje voor het bloeden.

Het handigste zou natuurlijk zijn als meer geld ook altijd betere films zou opleveren. Deze redenering is in bijna elk pleidooi voor meer steun aan de filmindustrie impliciet aanwezig. Marktwerking en dynamisch ondernemerschap worden in onze samenleving in toenemende mate beschouwd als de oplossing voor alle problemen. Dus allicht dat ook de trendgevoelige makers van cultuurprodukten (films, televisieprogramma's, boeken enz.) de neiging vertonen om meer budget op zich al als een synoniem van meer kwaliteit te beschouwen.

Titanic

Kwaliteit, zowel in artistiek opzicht als aan de kassa, is bij culturele producten echter afhankelijk van veel ongrijpbaarder factoren die eigen zijn aan het creatief proces. Het is nog steeds mogelijk om binnen vier muren een weergaloze film te maken, terwijl het ook mogelijk is met honderden figuranten en hele nagebouwde steden een flop te produceren. Of andersom, natuurlijk.

Dit feit des levens is een nagel aan de doodskist van elke filmondernemer. Een van de redenen waarom er deze week in Hollywood zoveel Oscars zijn uitgereikt aan Titanic, is dat deze film aangeeft hoe de wereld in de ogen van die ondernemers zou moeten zijn: de duurste film aller tijden en dus ook de succesvolste aller tijden. Achter Titanic gaat echter een heel wat ingewikkelder werkelijkheid schuil: de situatie van de Amerikaanse filmindustrie, waar het aan kapitaal bepaald niet ontbreekt, is over de hele linie niet veel florissanter dan vorig jaar, toen de belangrijkste prijzen aan outsider The English Patient werden vergeven.

Het is wel waarschijnlijk dat naarmate je meer films maakt, je meer kans hebt dat er nog eens wat bij is. Voor méér Nederlandse films zijn trouwens nog wel meer gewichtige argumenten. Een televisiekijker in Duitsland, Groot-Brittannië of Frankrijk kan per week toch al vlug tien à vijftien speelfilms of televisiefilms van eigen bodem zien. Die zijn goed of slecht, maar vormen in ieder geval de reflectie van toestand, de problemen of de wanen in zijn eigen cultuurkring. In Nederland zijn die mogelijkheden veel geringer: wat er aan Nederlandse fictie van enige allure voor film en televisie gemaakt wordt, is over het algemeen niet slecht en vaak heel goed - maar altijd schaars.

Televisie

Dat is jammer, omdat fictie in de vorm van film of televisie een steeds grotere rol gaat spelen. Steeds talrijker televisiestations in de wereld ontwikkelen een steeds geeuwender honger naar bewegend beeld - en dan niet alleen in de vorm van een sub-product als soap, maar wel degelijk ook in de vorm van meer uitgewerkte, op zichzelf staande drama-producten.

Het nog betrekkelijk schuchtere karakter van de Nederlandse film- en dramaproductie heeft in deze competitieve atmosfeer nadelige gevolgen. Een Nederlandse televisiekijker op zoek naar fictie kan op een willekeurige avond heel wat zien, maar bijna altijd komt hij terecht bij buitenlandse producten - reflecties dus van andere maatschappijen, niet van de zijne.

Daar is op zichzelf niets op tegen en het verbreedt de blik. Het punt is alleen dat de keuze niet bestaat. Uit de situatie op het gebied van literatuur blijkt wel, dat de belangstelling wel degelijk aanwezig is: de verkoop van Nederlandse romans bedraagt in Nederland een veelvoud van die van buitenlandse. Omdat film en televisie in de cultuurbeleving een relatief steeds grotere rol spelen, is het ontbreken van Nederlandse film een cultuurverarming.

Internationaal gezien heeft het geringe aantal speelfilms uit Nederland eveneens gevolgen. Binnen de Europese Unie is er in verschillende landen op filmgebied van een stroomversnelling sprake. In Frankrijk is vorig jaar het recordaantal van 125 films gemaakt, in Duitsland bevindt het genre 'Duitse comedie' zich in stormachtige ontwikkeling, en waar de Britse filmindustrie sinds de jaren vijftig in de versukkeling was geraakt, is er nu plotseling van een opleving sprake.

Het relatieve aandeel van Nederland in de Europese filmproductie, toch al klein, wordt dus steeds geringer. Dat lijkt me niet een situatie, waarbij we ons kunnen neerleggen. De Nederlandse overheid bevordert sinds jaar en dag de export van Nederlandse romans, schilderijen, muziek en film, in de gedachte dat er aan bekendheid van de Nederlandse cultuur in het buitenland een algemeen belang verbonden is - als doel op zich en als een uitstraling naar andere terreinen zoals handel.

Nu zijn romans en schilderijen in Nederland in overvloed aanwezig, maar bij films ligt dat anders. Door de kleine binnenlandse markt zal het in Nederland altijd wel lastiger blijven om films te financieren dan in Frankrijk of Groot-Brittannië. Toch zal er op dat gebied een inspanning moeten worden geleverd. Als Nederland hier niet een partijtje meeblaast, verschrompelt het imago van ons land internationaal tot dat van een oninteressant buitengewest.

Dat zou volkomen in strijd zijn met het algemeen naoorlogs streven om ons land, door grote openheid, goede contacten in het buitenland en competitiveit, een grotere rol te laten spelen in het concert van naties, dan op grond van omvang en inwoneraantal kon worden verwacht. Zonder de export van goede Nederlandse films naar het buitenland - om het even karikaturaal te stellen - kunnen we al helemaal vergeten dat een Nederlander ooit nog president van de Europese centrale bank wordt.

Polen

In deze context is het internationaal succes van Karakter dus wel degelijk verheugend, en een vingerwijzing voor toekomstig Nederlands filmbeleid: meer geld voor Nederlandse films, niet om ze steeds maar duurder te maken, maar om er meer van te maken.

Nu kun je je natuurlijk afvragen in hoeverre Karakter als een Nederlandse film kan gelden. In zijn vormgeving, waarbij de stad Rotterdam deels in Polen gestalte heeft gekregen, is Karakter immers wat losgezongen van de Nederlandse werkelijkheid. Het lijkt soms alsof de film is gemaakt op een manier waarvan men aannam dat die in Hollywood, waar de kennis van de lage landen sterk te wensen overlaat, als typisch Nederlands of Europees kon gelden.

Voor een land waar Holland Promotion al heel lang wordt bedreven met klompen en kaasmeisjes - verschijnselen die met de Nederlandse samenleving pas écht in vèr verwijderd verband staan - is het gebrek aan realisme in Karakter misschien niet echt een groot bezwaar. Bovendien valt het eigenlijk nog wel mee. De figuur van Dreverhaven (Jan Decleir) doet mij tenminste sterk aan mijn grootvader doet denken, die het aan het begin van deze eeuw van niets tot bankdirecteur bracht, een spectaculaire maatschappelijke carrière die hij van hem een harde, zwijgzame man maakte zoals ik er later zelden meer een ben tegen gekomen. Karakter is voor mij dus een zeer Nederlandse film, omdat hij handelt over sociale mobiliteit en arbeidsethos op een manier die mij zeer bekend voorkomt.

Het is, over onze exportpositie gesproken, wel eeuwig zonde dat de makers van Karakter Tamar van den Dop niet naar Hollywood hadden meegenomen, zodat het beeld van Nederland tijdens en na de uitreiking van de Oscar werd bepaald door een groepje balorige heren. Zeker hadden we, met Tamar in Amerika, die heerlijke seconden van stil leed en moedige zelfoverwinning op de Nederlandse televisie moeten missen. Maar er had veel tegenover gestaan: de Nederlandse Juliette Binoche! Denk je eens in, wat dat aan onze glorie had kunnen bijdragen.