Rathenau's Rembrandt

Na de oorlog wilde Mauritshuis-directeur A.B. de Vries Rembrandts laatste zelfportret koste wat kost voor zijn museum hebben. Voor de oorlog hing het doek als bruikleen in het Rijksmuseum Amsterdam en probeerde de eigenaar het tevergeefs terug te krijgen.

Over het Zelfportret van Rembrandt dat vanaf 1925 als bruikleen in het Rijksmuseum hing, werden elk jaar enkele briefjes gewisseld tussen de directeur van het Rijksmuseum en de eigenaren, Ernst Rathenau en zijn zuster Ellen Ettlinger-Rathenau uit Berlijn. De directeur schreef dat hij zo blij was met het portret en hij vroeg Ernst Rathenau of hij zo goed wilde zijn de jaarlijkse verzekeringspremie te betalen. Daarop liet Rathenau weten dat de premie door hem was voldaan. Maar in 1938 en '39 was het schilderij plotseling onderwerp van felle, soms wanhopige en woedende correspondenties tussen Rathenau en de directeur van het Rijksmuseum, F. Schmidt-Degener, de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, de Landsadvocaat en Rathenau's juridische adviseurs.

Rathenau had het doek uitgeleend aan het Rijksmuseum onder voorwaarde dat hij het te allen tijde kon opeisen en dat het museum dan verplicht was het hem in Amsterdam te overhandigen. In 1938 zagen de Rathenau's zich als joden genoodzaakt Duitsland te verlaten. Na hun vlucht wilden ze het Zelfportret terughebben, maar Schmidt-Degener weigerde het af te staan. Het Zelfportret stond in Duitsland op een lijst van beschermde kunstwerken en Schmidt-Degener vond dat hij daarom moest zorgen dat het doek naar Duitsland terugkeerde. Als hij het aan Rathenau zou geven, zou die het zeker meenemen naar New York en dan zou hij, Schmidt-Degener, daar door de Duitsers verantwoordelijk voor worden gesteld. In een emotionele brief aan de minister van OKW schreef hij in april '39, toen de kwestie al maanden sleepte: “Wordt, buiten de Duitsche autoriteiten om, het stuk naar Amerika overgebracht, dan is daar mijn persoonlijke eer mee gemoeid. (-) Ik hoef er niet op te wijzen dat na een geval als dit Nederland nooit of te nimmer behoeft te rekenen op verdere uitleeningen van Duitsche zijde.” In een andere brief aan de minister sprak Schmidt-Degener de vrees uit “dat wanneer het Duitsche Rijk zich gefrustreerd ziet van dit belangrijke Rembrandt-schilderij, het een onzer publieke verzamelingen aansprakelijk zal stellen door een ander werk van Rembrandt als vergoeding op te eischen.” In weer een andere brief hield hij de minister voor: “Het Duitsche Rijk is zeer lichtgeraakt in allerlei internationale kwesties.” Hij zag de gevolgen van een teruggave, 'in het bijzonder met het oog op mijzelf', dan ook 'zeer somber' in.

Schmidt-Degener had reden tot angst. Buiten Rathenau om had hij aan de Duitse consul toegezegd dat hij ervoor zou zorgen dat het schilderij zou terugkeren naar Duitsland. Maar met die toezegging was hij buiten zijn boekje gegaan, zoals de raadsman van Rathenau, prof.mr. F.G. Scheltema in een rapport over deze zaak betoogde. In elk geval kon die toezegging voor Schmidt-Degener geen reden zijn om zijn contractuele verplichting tot teruggave niet na te komen. Bovendien bepaalde de Duitse wet slechts dat 'voor de uitvoer van een op de lijst geplaatst schilderij een vergunning nodig is' en niet 'dat een uit Duitschland uitgevoerd werk weder naar Duitschland moet worden teruggevoerd'. Scheltema concludeerde dat Schmidt-Degener dus niet bevoegd was de afgifte van het Zelfportret van Rembrandt te weigeren.

Om de kwestie tot een oplossing te brengen, vroeg de minister van OKW advies aan de Landsadvocaat. Die sloot zich volledig aan bij de conclusies van Scheltema: “De Staat is rechtens verplicht het schilderij aan Dr. Rathenau af te geven”, schreef hij. De Duitse regering was immers geen partij geweest in de overeenkomst met Rathenau. Om te voorkomen dat de Duitse regering de Nederlandse Staat aansprakelijk zou stellen voor de teruggave, had de Landsadvocaat een procedure bedacht: Rathenau moest de Nederlandse Staat dagvaarden. De zaak kwam dan voor de rechter, Duitsland zou gelegenheid krijgen in het proces te interveniëren, maar uiteindelijk zou het Nederlandse recht zijn loop hebben en zou de rechter beslissen dat Rathenau het schilderij terugkreeg en Duitsland zou de Nederlandse regering dan geen enkel verwijt kunnen maken.

Rathenau ontplofte toen hij deze 'oplossing' vernam. Als het Hitler-regime voordat het doek werd teruggegeven de kans kreeg te protesteren, zou het alles aangrijpen om de teruggave te boycotten. Het zou wraak nemen op de Rathenau's en hun in Duitsland achtergebleven bezit confisqueren.

De teruggave hoefde wat Rathenau betrof niet in het geheim te gebeuren. Hij stelde voor het doek aan hem af te geven, vervolgens Duitsland daarvan in kennis te stellen en als de Duitse regering dan bezwaar zou maken, was hij bereid het doek tijdelijk weer af te staan aan het Rijksmuseum om daarna alsnog naar de rechter te gaan.

Heel even leek er een simpele uitweg uit de impasse te zijn. In New York werd een Rembrandt-expositie georganiseerd en daarvoor werd het Zelfportret aan Rathenau in bruikleen gevraagd. De landsadvocaat vond dat dit verzoek moest worden ingewilligd. Als het Rathenau vervolgens zou lukken om via de Amerikaanse rechter het doek in zijn bezit te krijgen, stond Nederland daar geheel buiten.

Maar Schmidt-Degener lag opnieuw dwars en wist de uitleen te torpederen. Eigenlijk zag hij maar één oplossing voor Rathenau: dat hij zou wachten tot er in Duitsland 'een voor hem meer favorabel regime' zou zijn.

Toen Rathenau ten einde raad besloot een proces te beginnen tegen de Nederlandse Staat, brak de oorlog uit en was het te laat. Op 26 augustus 1940 kreeg Schmidt-Degener het bevel het Zelfportret binnen enkele weken af te geven aan de Duitsers en kon hij zijn belofte om het doek naar Duitsland te laten terugkeren, nakomen.