Oost-Europa bestaat helemaal niet; De clichés van het Westen

Adam Burgess: Divided Europe. The new domination of the East. Pluto Press, 222 blz. ƒ 60,55

Oost-Europa bestaat niet, stelt Adam Burgess. Oost-Europa is een uitvinding van het westen, een kwestie van perceptie, een stereotype. Waarom wordt er voortdurend een wezenlijk onderscheid, een verschil in traditie, cultuur en mentaliteit, tussen 'Oost' en 'West' gesuggereerd en waarom zijn deze verschillen na afloop van de Koude Oorlog niet overbrugd? Wie heeft er baat bij de instandhouding van de stereotype voorstelling van oostelijk Europa als een onderontwikkelde en instabiele regio, bewoond door een nogal ordeloze, hopeloos romantische en licht ontvlambare bevolking die de ellende over zichzelf afroept? Bieden niet juist de vermeende tegenstellingen tussen 'Oost' en 'West' het ideale excuus om de Oost-Europeanen op afstand te houden, om de zo dikwijls gepredikte eenheid van Europa op de lange baan te schuiven?

De vragen stellen is ze beantwoorden. Burgess veegt de vloer aan met de West-Europese benadering van het voormalige communistische deel van het continent. Ze is gebaseerd op de verkeerde vooronderstellingen, ze dient de verkeerde belangen en ze getuigt van een vergaande mate van schijnheiligheid. Divided Europe is een radicaal politiek pamflet, dat schittert in de grijze massa beschouwingen die de afgelopen jaren aan de westerse Oost-Europapolitiek zijn gewijd. Burgess overdrijft en generaliseert. Hij verkoopt onzin, valt in herhaling en raakt soms verstrikt in zijn eigen tegenstellingen, maar in zijn kritiek op de vanzelfsprekendheden van het Oost-Europabeleid schuilt zeker een kern van waarheid. Divided Europe is een actueel, een interessant boek.

De kern van Burgess' betoog is de ontkenning van de culturele bijzonderheid van oostelijk Europa. 'Typisch Oost-Europees' bestaat niet, meent hij. De geschiedenis van de regio werd nooit bepaald door een eigen, karakteristieke ontwikkeling, en van de homogeniteit die het begrip Oost-Europa suggereert is al helemaal geen sprake. De vermeende uniciteit van het 'oosten' gaat uit van het bestaan van gescheiden culturen in Europa. 'Oost' en 'West' zouden verschillend zijn en blijven.

Burgess verwerpt deze opvatting. Hij moet niets hebben van de populaire politisering van cultuurverschillen in de internationale verhoudingen. Er lopen geen vaste culturele binnengrenzen door Europa, stelt hij, en aan de dikwijls veronderstelde scheiding tussen 'Oost' en 'West' in Europa liggen niet de gewaande eigenaardigheden van de Oost-Europeanen ten grondslag maar een reeks vooroordelen die vooral de arrogantie en het eigenbelang van het rijke, machtige westen weerspiegelen. Het is een kwestie van 'morele geografie', meent Burgess. Oost-Europeanen zijn niet bezeten van tribale sentimenten, althans niet in sterker mate dan hun westelijke buren. De 'Balkanmens', een loot van de menselijke soort die er een genoegen in zou scheppen zijn medemens bij voortduring de kop in te slaan, bestaat niet.

Mythe

Oost-Europeanen kijken niet uitsluitend achterom. Ze worden niet geleefd door hun geschiedenis. Het virulente etnische nationalisme dat zo karakteristiek zou zijn voor het 'oosten' is een mythe, aldus Burgess. Hij citeert Jacques Attali, directeur van de European Bank for Reconstruction and Development: 'We hebben nog maar kort de tijd om de golf van stamdenken te keren voordat ze oostelijk Europa zal overspoelen en ook ons waarschijnlijk zal meesleuren.' Burgess heeft gelijk. Het is een typisch geval van modieuze onzin, maar wel van iemand die een belangrijke stem heeft gehad in het westerse Oost-Europabeleid.

Burgess herleidt de hardnekkige misvattingen en vooroordelen over Oost-Europa tot de intellectuele dwaling die areastudies, regiostudies, heet. Waarom moeten we ons vooral verdiepen in de taal en de cultuur van volkeren, als de wetten van het menselijk gedrag universeel zijn, vraagt hij zich af. Deze opmerkelijke opvatting blijft niet zonder gevolgen. Voor iemand die geen enkele Oost-Europese taal machtig lijkt te zijn (Divided Europe is op louter Engelstalige bronnen gebaseerd) blaast Burgess wel erg hoog van de toren. De combinatie van een gebrek aan intieme kennis van de regio en uitgesproken politieke voorkeuren levert niet alleen vermakelijke effecten op (de naam van de door Burgess maar matig gewaardeerde Kroatische leider Franjo Tudjman wordt consequent gespeld als Franco Tudjiman) maar ook een gebrekkig Fingerspitzengefühl voor de gevoeligheden in de regio.

Militaire dreiging of niet, toegang tot 'Europa' of niet, het getuigt van weinig begrip van de moderne Poolse geschiedenis om 's lands lidmaatschap van de NAVO af te doen als 'kostbaar en nutteloos'. Hoe afkerig Burgess ook is van de intellectuele dwaalwegen die aan de westerse vooroordelen over oostelijk Europa ten grondslag liggen, het gaat hem toch vooral om de praktische betekenis van deze stereotypen. De vermeende uniciteit van Oost-Europa heeft een uitgesproken politieke functie, meent hij. Ze ligt ten grondslag aan de wijze waarop we na de val van de Berlijnse Muur omgaan met oostelijk Europa.

Beter nog, ze bepaalt waarom we ons liever níet met gindse deel van het continent inlaten, waarom we het liever links laten liggen. Waarom heeft het einde van de Koude Oorlog niet geleid tot een gepaste hereniging van Europa maar tot een herleving van de Oost-Westtegenstellingen uit het verleden?, vraagt Burgess zich af. Waarom houdt het westen, de Europese Unie in het bijzonder, oostelijk Europa voortdurend aan het lijntje en legt het de schuld voor het gebrek aan vooruitgang bij de Oost-Europeanen zelf? Alle mooie woorden ten spijt is Oost-Europa na de val van de Muur immers vooral beschouwd als een bedreiging, meent Burgess, een bedreiging waartegen het westen zich zoveel als mogelijk dient te beschermen. Criminaliteit, migratie, vervuiling - ze zijn onlosmakelijk verbonden met het eens communistische deel van ons continent.

Wat decennialang voor ons werd geregeld, moeten we nu zelf doen, zo stelt Burgess: de Oost-Europeanen op afstand zien te houden. Burgess ontkent dat de uitbreiding van de Europese Unie tot nu toe is uitgebleven omdat potentiële lidstaten nog niet aan de 'technische' voorwaarden voor toetreding voldoen. Het is een kwestie van onwil van westerse kant, meent hij, onwil gebaseerd op politieke en culturele vooroordelen. We zijn namelijk niet te beroerd om in de tussentijd veel geld te verdienen aan de Oost-Europeanen. De economische relaties tussen Oost en West hebben een bijna koloniaal karakter aangenomen, aldus Burgess.

Het is inderdaad onweerlegbaar (maar tot op zekere hoogte ook onvermijdelijk) dat tot nu toe vooral de West-Europeanen hebben geprofiteerd van de val van het communisme. Als al wordt toegegeven dat ons eigenbelang in de Oost-Europapolitiek voorop staat, dan wordt het zonder enige aarzeling op één lijn gesteld met de belangen van de Oost-Europeanen zelf. We hebben onze produkten afgezet op de Oost-Europese markt totdat er in geheel Moskou alleen nog maar Bolskaya wodka te koop was, terwijl we onze eigen markt zorgvuldig gesloten hielden voor de belangrijkste exportprodukten uit het oosten. In vergelijking met dit economisch voordeel is het hulpbeleid voor oostelijk Europa van waarlijk bescheiden omvang. In de jaren 1996-99 wordt in het kader van Phare en TACIS, de belangrijkste steunprogramma's van Brussel, ruwweg 18 miljard gulden besteed (waarvan een groot deel in westelijk Europa wordt besteed), terwijl de begroting van de Europese Unie alleen al in 1977 zo'n kleine 200 miljard gulden bedroeg.

Burgess gaat het echter niet zozeer om deze ongelijke economische verhoudingen. Hij ergert zich vooral aan het misplaatste superioriteitsgevoel waarvan de politieke bemoeienis met oostelijk Europa getuigt. Ook hier zouden culturele stereotypen een hoofdrol spelen. Inmenging in de aangelegenheden van de Oost-Europeanen is gebaseerd op het ongegronde vooroordeel dat ze van nature niet tot democratie geneigd zouden zijn, stelt Burgess. Het westen heeft een 'missie'. Hordes politici, consultants, kooplieden, trainers, journalisten, generaals en activisten zijn de afgelopen jaren oostwaarts getrokken om Oost-Europa hun goede diensten aan te bieden en naar het evenbeeld van het westen te herscheppen.

Amerikaanse politici vliegen in, ze leggen even uit hoe het moet en ze vertrekken weer, bromt Burgess. 'Westerse academici, gedemoraliseerd door de staat van het onderwijs in eigen land, pakken de gelegenheid te reizen en hun gezag op te vijzelen door zich als verkiezingswaarnemers van de OVSE op pad te laten sturen.' Burgess raakt een gevoelige snaar. Het is waar. Ik weet het uit eigen ervaring. Ik maak er zelf deel van uit. Er is een ware 'hulpindustrie' ontstaan, met eigen tycoons (George Soros voorop), eigen trends (nu eens milieu, dan weer etnische minderheden) en eigen lokale 'favorieten' (de Oost-Europeaan die weet wat de West-Europeaan wil horen). Het gaat echter veel te ver alle zogenoemde 'hulp' (van peperdure consultancy en zinloze megacongressen tot en met zuigelingenzorg en de herschrijving van het Burgerlijk Wetboek) onder één rubriek 'neokolonialisme' te scharen, en ik weet zeker dat aan lang niet alle activiteiten in oostelijk Europa de door Burgess gesignaleerde minachting ten grondslag ligt ten aanzien van dezelfde mensen die men zegt te willen helpen.

Effectiviteit

Burgess betwijfelt zowel de moraliteit als de effectiviteit van de wijze waarop het westen zich mengt in de aangelegenheden van oostelijk Europa. Het 'proces van verwestelijking' leidt er toe dat de politieke democratie in oostelijk Europa haar legitimiteit vooral zal ontlenen aan 'buitenlandse instituties' (SFOR, OVSE of NAVO), meent hij. Er is een nieuwe elite gecreëerd, die, groot geworden door westerse beurzen en bedrijven, geen enkele binding meer heeft met de mensen wier belangen ze wordt geacht te behartigen. Over het lot van regeringen zal uiteindelijk in Brussel of Washington worden beschikt. Zonder enige guilt by association te willen suggereren, zijn dit de opvattingen die in Oost-Europa vooral worden gedebiteerd door extreem-nationalistische groeperingen, een deel van het politieke spectrum waarvan Burgess terecht opmerkt dat zijn betekenis dikwijls wordt overdreven. Aan het slot van zijn betoog knoopt Burgess de losse eindjes aan elkaar. Het vereist enige dialectische flexibiliteit maar hij komt eruit. De westerse Oost-Europapolitiek, zo vat hij samen, is één grote oefening in cynisme. We zijn er toch eigenlijk van overtuigd, net als de missionaris die ooit probeerde de inboorling te bekeren, dat de Oost-Europeanen nooit zullen worden zoals wij. Het cultuurverschil is onoverbrugbaar. Oost-Europa gehoorzaamt aan zijn eigen wetten. We kijken neer op de Oost-Europeanen en tegelijkertijd koesteren we hen als ons morele spiegelbeeld: onderontwikkeld, wreed, armlastig, vuil. Oost-Europa, zo concludeert Adam Burgess, is het levende bewijs van onze eigen vermeende superioriteit.

    • A.W.M. Gerrits