Nuis is kil en legalistisch tegenover erven Goudstikker

De erven Goudstikker hebben gekregen wat hun toekomt, vindt staatssecretaris Nuis. Ido de Haan is het daar niet mee eens. De Nederlandse overheid treedt kil en legalistisch op tegenover mensen die in de oorlog werden vervolgd en na de oorlog nog eens mentaal zijn uitgeput.

De erven van Goudstikker hebben in feite gekregen wat ze vroegen, zo verklaarde gisteren staatssecretaris voor Cultuur Aad Nuis. Hij ziet geen reden in te gaan op de eis tot vergoeding van de schade die de familie van de Amsterdamse kunsthandelaar Goudstikker in en na de oorlog zegt te hebben geleden. Daarmee voegt Nuis een nieuw hoofdstuk toe aan de geschiedenis over de moeizame houding van de Nederlandse overheid tegenover de ontrechting, vervolging en vernietiging van de Nederlandse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die houding wordt in het algemeen gekenmerkt door legalisme en kilheid. De regering in ballingschap had weliswaar het juridische kader voor rechtsherstel ontworpen, maar in de praktijk bleek dat joden vaak langdurig moesten procederen om hun recht te krijgen. Bovendien moesten zij steeds opnieuw bewijzen dat ook in hun individuele geval door de Duitse bezetter onrecht was gepleegd.

Het lijkt erop dat Desi von Saher, de weduwe van de in 1940 tijdens zijn vlucht verongelukte Jacques Goudstikker, na enige tijd dezelfde reactie vertoonde die vele joden na de oorlog hadden: 'Laat maar zitten'. De slachtoffers van de jodenvervolging waren in het algemeen van mening dat van de Nederlandse overheid en van de samenleving niets goeds meer viel te verwachten. In die overtuiging werden zij bevestigd door ongelofelijke staaltjes botheid en onverschilligheid. Zo keerde de Nederlandse overheid in november 1945 de juridische bewijslast om, zodat de overlevenden van wie effecten waren ontvreemd zelf moesten aantonen dat het verhandelen van die effecten malafide was geweest. Een ander voorbeeld was de 5,6 miljoen gulden die de Nederlandse staat na 1945 voor de kampen Vught en Westerbork bood aan de beheerders van het Liro-fonds terwijl deze kampen in 1942 aangelegd respectievelijk uitgebreid waren met geld uit het Liro-fonds: in totaal 36 miljoen gulden.

Sommige overlevenden werden door dergelijke officiële kilheid gesterkt in hun strijdlust. Maar de meesten waren al te zeer gekwetst om zich nog verder met de buitenwereld te willen bemoeien. Zij trokken zich terug, hielden hun mond, niet omdat de ervaring van vervolging en vernietiging 'onzegbaar' zou zijn, maar omdat bleek dat maar weinigen naar hun verhaal wilden luisteren.

In de zaak-Goudstikker lijkt een vergelijkbare mentale uitputting te zijn opgetreden. Na jaren van procederen tegen de Nederlandse overheid ging Desi von Saher in 1952 akkoord met een regeling waarin zij afzag van verdere aanspraken op de kunstbezittingen van haar man, in ruil voor het bedrag dat nog restte van de verkoop ervan door de zelfbenoemde zaakwaarnemers van Goudstikkers erven aan Göring. Hoe omvangrijk dat bedrag ook was, het is achteraf beschouwd een schijntje vergeleken bij de werkelijke waarde van de gestolen goederen. Het heeft er dan ook alle schijn van dat Desi von Saher onder druk van de omstandigheden akkoord is gegaan met een onrechtvaardige regeling.

Zoals vele joodse overlevenden kunnen getuigen, is een dergelijke gang van zaken adding insult to injury. En alsof het niet genoeg was, voegt de Nederlandse staat daar nu een nieuwe slag aan toe. Wanneer Aad Nuis stelt dat de erven Goudstikker hebben gekregen waar ze om vroegen, hanteert hij dezelfde legalistische redeneertrant waartoe de Nederlandse staat sinds 1945 steeds weer zijn toevlucht heeft genomen. Hij gaat er van uit dat het recht zonder aanzien des persoons zijn loop moet hebben. Dat is inderdaad een mooi uitgangspunt, zolang voldaan is aan de legalistische veronderstelling dat de partijen in een juridisch proces een gelijk gewicht in de schaal leggen. Dan slaat de balans door in het voordeel van degene die het recht aan zijn zijde weet. Maar in de processen rond het rechtsherstel is steeds weer gebleken dat de ontrechten vaak te zwak, te bang, mentaal te zeer gebroken waren om volwaardig tegenwicht te bieden. Zeker wanneer het processen tegen de staat betrof, was dat evenwicht vaak ver te zoeken.

Tegenover de partij voor wie de rechtsgang een diepgaande inbreuk op het bestaan vormde, stond dan een institutie, vertegenwoordigd door iemand die niet persoonlijk bij de uitkomst betrokken was en bij vermoeidheid vervangen kon worden door een ander.

Nu is dit allemaal geen nieuws voor wie zich enigszins verdiept heeft in de jodenvervolging en haar nasleep. Juist daarom is het des te vreemder dat staatssecretaris Aad Nuis in de Goudstikkerzaak tot deze conclusie is gekomen. Immers, Nuis nam, en neemt nog steeds, een onveranderlijk kritische houding in ten opzichte van de Nederlandse overheid waar het de naoorlogse behandeling van Friedrich Weinreb betreft. De gedachte dat joden en hun nabestaanden geen faire kans hebben gekregen hun zaak te bepleiten, moet Nuis dus niet vreemd zijn. Bovendien is het verwonderlijk dat juist de staatssecretaris van Cultuur tot deze conclusie komt. Juist iemand die de cultuur onder zijn beheer heeft, zou moeten begrijpen dat mensen hun verlangens soms aanpassen aan hun verwachtingen, aan de druk van de omstandigheden. De cultuur vergt onder andere beleid om de variatie aan mogelijkheden, wensen en verwachtingen zo groot mogelijk te houden. Als iemand dus tot een andere conclusie had kunnen komen, dan was het Nuis wel.

De reden dat dit niet gebeurd is, moet niet in karakterzwakte van de staatssecretaris worden gezocht. Daarvoor is deze legalistische verblinding te structureel. Zij bestaat al zo lang, dat meer aan de hand moet zijn.

Waarschijnlijk schuilt dat meer in het bijzondere karakter van processen van rechtsherstel. Nuis, en alle overheidsfunctionarissen voor hem, hebben gedaan alsof dit deel uitmaakte van de normale rechtsorde. Maar in feite was een belangrijk deel van het rechtsherstel gebaseerd op juridisch en staatsrechtelijk knutselwerk. Dat gold misschien nog niet eens zozeer voor de inhoudelijke bepaling van de rechten die geschonden en weer hersteld moesten worden: daarvoor kon men terugvallen op de situatie voor mei 1940. Maar het gold wel voor de formele aspecten van het rechtsherstel: het gros van de procedures en instellingen waardoor rechtsherstel bereikt moest worden, ontstond in 1945 uit het niets. Er waren geen precedenten, geen ervaring, geen regels. De specifieke vorm die het rechtsherstel kreeg, hing sterk af van de toevallige krachtsverhoudingen die aan het eind van de oorlog waren ontstaan. En als één ding duidelijk was, dan was het wel dat de mensen en groepen die het meest ontrecht waren, daarop het minste greep hadden. Zo kon het gebeuren dat Desi von Saher overgeleverd was aan het oordeel van een functionaris van de Stichting Nederlands Kunstbezit en op zijn advies akkoord ging met de regeling van de Nederlandse overheid. Na vijftig jaar zou de Nederlandse overheid op zijn minst moeten erkennen, dat het recht hier onlosmakelijk verweven was met macht, wanhoop en kilheid.