M.R.H. Calmeyer (1895-1990); Een oerdegelijke Hollander

M.R.H. Calmeyer: Herinneringen. Memoires van een christen, militair en politicus. Ingeleid en bewerkt door J. Hoffenaar. Sdu, 925 blz. ƒ 89,50

Het is 10 mei 1940, en de strijd om de Moerdijkbruggen is in volle gang. De verdedigers, onder bevel van beroepsofficier Michaël Calmeyer, maken kennis met wat voor hen toch een soort science fiction-oorlog moet zijn geweest. Stuka-duikbommenwerpers lossen met moreelverpestend gehuil hun lading boven Hollandse brave borsten, die slechts zijn voorgelicht over het belang van de herenfiets voor de tactische oorlogsvoering. Net op dat moment trekt een gestrande automobilist de aandacht. Calmeyer herkent hem; het is de gepensioneerde generaal-majoor W.E. van Dam van Isselt, oud-directeur van de Hogere Krijgsschool waar Calmeyer in de jaren twintig had gestudeerd. 'Kaerel', roept Van Dam, 'wat is hier aan de hand?' 'We zijn aan het oorlogvoeren, generaal', antwoordt Calmeyer, 'maar het is wel een heel andere oorlog dan we vroeger hebben geleerd'. Calmeyers antwoord is zo droogkomisch perfect dat onmiddellijk de verdenking rijst: dit is verzonnen. Later - maar dan is de lezer wel zeshonderd bladzijden verder - blijkt Calmeyers reactie volledig te passen bij het beeld dat uit dit boek van hem oprijst.

Een uitbundige figuur was M.R.H. Calmeyer zeker niet. Gedurende het kabinet-De Quay (1959-1963), waarin hij staatssecretaris van Defensie was, borduurden politieke tekenaars dankbaar voort op zijn maskerachtige gezicht, dat geen emoties verried. Uit de toon viel hij nooit; het understatement was zijn natuurlijke spreekstijl, maar hij zei wèl waar het op stond. Calmeyer was een Hollander van de oude stempel: gelovig protestants, rechtdoorzee, onkreukbaar, eigenwijs, Oranjegezind, en behoudend. Het zou niet in zijn fantasie zijn opgekomen gevatte antwoorden als die bij de Moerdijkbrug achteraf te verzinnen.

Nieuwe leger

Van zulke dienaren moet de staat het hebben, maar gewoonlijk leveren ze geen stof voor een boek van bijna duizend bladzijden. Herinneringen is inderdaad extreem omvangrijk in verhouding tot de betekenis van de hoofdfiguur, en Hoffenaars toelichtingen vertonen een zekere overkill aan feiten en context. Daar staat tegenover dat Calmeyers carrière boeiend is, omdat het hoogtepunt ervan samenvalt met de radicale koerswijzigingen op buitenlandspolitiek en militair gebied na de oorlog. Nederland gaf zijn traditionele neutraliteit op om lid van de NAVO en voorvechter van de Europese integratie te worden. De Koude Oorlog noopte ons weinig soldateske land tot de opbouw van een relatief grote krijgsmacht, en daarmee waren miljarden gemoeid.

Het uit de grond stampen van dit nieuwe leger verliep niet zonder strubbelingen, zelfs schandalen, en Calmeyer zat daar middenin. Wie ouder is dan vijftig, herinnert zich mogelijk 'de helmen-affaire', 'de zaak-majoor K.' of 'de kwestie-Van der Putten', verwijzingen naar rellen om Defensie die nu allang zijn vergeten, maar die eind jaren vijftig, begin jaren zestig voor langdurige beroering zorgden. Ze werden gevoed door het Algemeen Dagblad, maar vooral door De Telegraaf, kranten die Calmeyer de volle laag gaven.

Het lijkt mij dan ook niet uitgesloten dat deze verder weinig pronkzuchtige man de behoefte voelde zich met zijn memoires te rechtvaardigen. Dat zou ook verklaren waarom hij heeft ingestemd met het verzoek van de sectie Krijgsgeschiedenis van de Generale Staf om de memoires toegankelijk te maken voor een breder publiek dan zijn eigen familiekring. Hij stelde alleen de eis dat ze pas na zijn dood zouden worden gepubliceerd. Calmeyer stierf in 1990, vijfennegentig jaar oud. Zeven jaar later promoveerde militair historicus Hoffenaar op de bezorging van diens autobiografie.

Calmeyers leven is bepaald door zijn roeping als militair. De noodzaak tot verdediging van God, koningin en vaderland was voor hem geen holle leus of cabarettekst, maar realiteit. Daarom ervoer hij de systematische verwaarlozing van de Nederlandse defensie in de jaren twintig en dertig als een schrijnende misstand. Wie zich deze officier echter voorstelt als een bigotte hoerapatriot, vergist zich. Hij was bereisd en belezen, en sprak zijn talen. Op zijn vooroorlogse superieuren maakte Calmeyer zelfs een dermate wereldwijze indruk dat hij in 1937 werd uitverkoren om als enige Nederlander een tweejarige cursus aan de Kriegsakademie in Berlijn te volgen. Wat Calmeyer daar het meest imponeerde, was dat Duitse officieren maar één verdedigingstactiek kregen ingeprent: de aanval. Dat was een volkomen andere benadering dan de défaitistische, onverschillige sfeer die hij in de Nederlandse kazernes bespeurde. Desondanks hield Calmeyer aan zijn Berlijnse intermezzo geen bewondering, maar juist afkeer van Adolf Hitler en zijn prestaties over.

Calmeyers moedige en voortvarende houding korte tijd later, in de meidagen van 1940 - hij gaf het goede voorbeeld door letterlijk aan het hoofd van zijn manschappen voorwaarts te stormen - leverde hem groot respect van zijn ondergeschikten en zijn meerderen op. Na de Nederlandse capitulatie ging hij evenwel niet in het verzet. Hij voelde zich gebonden aan het erewoord dat hij, evenals de meeste collega-officieren, de Duitsers had gegeven niet tegen hen te zullen strijden: de prijs voor vrijlating uit krijgsgevangenschap. Uit de memoires wordt duidelijk dat Calmeyer tot aan zijn dood heeft geworsteld met de vraag of hij dat erewoord had moeten geven.

Meteen na de bevrijding steeg Calmeyers ster weer razendsnel; binnen een paar weken werd hij bevorderd van kapitein tot generaal. Er waren maar weinig officieren die capabel werden geacht om in recordtempo het nieuwe leger dat voor de bevrijding van Indië nodig was, uit de grond te stampen. Als overtuigd aanhanger van de Rijkseenheidsgedachte had Calmeyer er geen enkele moeite mee dat dit leger al snel werd ingezet om datzelfde Indië onder de duim te houden. Het verschil tussen hem en verreweg de meeste militaire en civiele leiders was echter dat Calmeyer zich al snel bewust werd van de militaire dreiging die van het Sovjet-communisme uitging. De anderen waren volledig gefixeerd op de koloniale oorlog. Zo wilde minister van Financiën Piet Lieftinck alle begrotingsposten van Defensie die niets met Indië uitstaande hadden, eenvoudig schrappen.

Toen in 1951 chefstaf generaal Kruls werd gedwongen ontslag te nemen wegens zijn onverholen kritiek op de defensiepolitiek van het kabinet-Drees, volgde Calmeyer zijn voorbeeld, en trad af als topambtenaar. Zijn resterende jaren in actieve dienst besteedde hij voornamelijk aan het opzetten van het Defensie Studie Centrum (later opgegaan in Instituut Clingendael), dat onderzoek deed naar aspecten van moderne oorlogvoering op wereldschaal. Ironisch genoeg bleek het vertrek van Kruls en Calmeyer later een beslissende wending in het Nederlandse defensiebeleid te hebben gemarkeerd. Onder Amerikaanse druk verhoogde het kabinet-Drees de begroting voor de Nederlandse bijdrage aan de Atlantische verdediging met vele honderden miljoenen.

Vanaf 1959 had Calmeyer, dit keer als staatssecretaris van Land- en Luchtmacht, een belangrijk aandeel in het uitgeven van dat geld. Hij was er, terecht, trots op dat onder zijn bewind de luchtmacht werd uitgerust met honderdtwintig Starfighters. Om de moeizame werving van beroepspersoneel te vergemakkelijken, maakte hij zich met succes sterk voor betere salariëring en meer promotiemogelijkheden.

Schandalen

Toch werden deze prestaties overschaduwd door schandalen. Ogenschijnlijk hadden de al genoemde 'kwesties'-Van der Putten en -majoor K(oopmann) en de 'helmenaffaire' alles met elkaar te maken. In De Telegraaf en het Algemeen Dagblad werden de beroepsmilitairen Van der Putten en Koopmann voorgesteld als slachtoffers van het militair-industrieel complex, dat wilde verdoezelen hoeveel er werd gefraudeerd met materieelbestellingen. Topje van de ijsberg zou de levering zijn geweest van honderdduizenden helmen met haarscheurtjes door de firma Verblifa. Omdat Van der Putten en Koopmann het gerommel met de legeropdrachten aan de kaak hadden gesteld, zouden ze, volgens de pers, door hun superieuren zijn gemangeld door middel van processen, strafoverplaatsingen en gemiste promoties. De campagne in de twee dagbladen was al op gang gekomen toen Calmeyer nog Kamerlid voor de CHU was. Omwille van de 'helmenaffaire' had de verantwoordelijke staatssecretaris, F.J. Kranenburg, moeten aftreden. Daarna werd zijn opvolger Calmeyer voortdurend opgevoerd als het sinistere brein achter pogingen van de legertop zich van de twee moedige whistle-blowers Van der Putten en Koopmann te ontdoen.

Calmeyers lezing van de affaire vormt het belangrijkste onderdeel van het boek. Volgens hem stonden de verschillende kwesties los van elkaar, maar werden ze door pers en politiek met elkaar verbonden om een schandaal te creëren. Van der Putten was een querulant, die voortdurend met vermeende grieven naar de pers en de rechter liep. Koopmann was door justitie vervolgd op verdenking van het aannemen van steekpenningen voor het plaatsen van een grote legerorder. In eerste instantie was hij daarvoor veroordeeld, maar in hoger beroep kreeg hij vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. De 'helmenaffaire' was niets meer dan een betreurenswaardige miskoop, die door concurrerende metaalfabrieken met steun van de VVD was opgeblazen tot een rel.

J. Hoffenaar ziet in zijn Inleiding geen redenen om deze uitleg te betwisten, en gezegd moet worden dat Calmeyer zijn versie overtuigend brengt. Inderdaad hebben Van der Putten en Koopmann hun wilde insinuaties aan het adres van de legertop nooit kunnen staven met feiten. Gezien de smetten op hun carrière hadden ze er een evident belang zich als slachtoffer voor te doen. Maar waarom hadden dagbladen en politici deze twee mannen de hand boven het hoofd gehouden en de rel telkens aangeblazen? Calmeyer wijst daarvoor met de beschuldigende vinger naar de VVD-fracties in Eerste en Tweede Kamer, die de kwestie-Van der Putten c.s. steeds oprakelden. De liberale senator Harm van Riel fungeerde als liaison tussen de politici en De Telegraaf.

Perscampagne

Calmeyer nam aan dat de VVD'ers het niet zozeer op hem hadden gemunt als wel op zijn minister, de liberaal S.H. Visser. Volgens Calmeyer was hij zijn partij een blok aan het been geworden wegens zijn onhandige presentatie in de Kamer. Wat De Telegraaf betreft, liggen de motieven onduidelijker. De krant had al een rijke traditie van felle campagnes voor of tegen iets of iemand opgebouwd; dat trok lezers. Maar waarom De Telegraaf vervolgens speciaal Calmeyer als doelwit uitkoos, is voorwerp van speculatie. Pas wanneer de archieven van De Telegraaf eindelijk opengaan, zullen de motieven voor de campagne bovenkomen.

Calmeyer zelf veronderstelde twee redenen. De eerste dateerde van 1946, toen hij in opdracht van de minister van Oorlog een einde maakte aan het bestaan van het rabiaat-rechtse legerblad De Pen Gun. In dat blad werd dermate hevig tegen elke toenadering tot de Indonesische president Soekarno gefulmineerd dat het als regeringsvijandig te boek stond. De opheffing van De Pen Gun verdroot de hoofdredacteur ervan, oud-Telegraaf-journalist I.G. van Maasdijk, ten zeerste. Maar toen Calmeyer aantrad als staatssecretaris, speelde Van Maasdijk bij De Telegraaf al geen actieve rol meer.

Een aannemelijker motief kan Calmeyers weigering zijn geweest in te gaan op een verzoek van Telegraaf-hoofdredacteur C.J. Brandt, die hem in oktober 1957 had gevraagd als Kamerlid te interveniëren ten gunste van 'majoor K'. In scherpe bewoordingen had Calmeyer dit afgewezen. Daarmee zou hij de toorn van de Telegraaf-hoofdredactie hebben gewekt.

In tegenstelling tot Visser, wiens ministerschap wankelde, is Calmeyers positie als staatssecretaris geen moment echt in gevaar geweest. Niettemin heeft ook hij eronder geleden. In zijn memoires oppert hij zelfs dat het trommelvuur van De Telegraaf, met de aanvallen van de VVD-Kamerleden H. Ritmeester, P.J. Oud en de ongrijpbare Van Riel, de geestelijke en lichamelijke aftakeling van zijn echtgenote in de jaren zestig heeft verhaast. Calmeyer vroeg Van Riel eens of deze zijn invloed op De Telegraaf niet kon aanwenden om de krant wat gas te laten terugnemen. Van Riels antwoord was, althans volgens Calmeyer: 'Dacht u dat ik mijn politieke carrière op het spel wil zetten?'

    • Gerard Mulder