Mickey Mouse in cyberspace

Douglas Rushkoff: The Ecstasy Club. Sceptre, 315 blz. ƒ 44,65

De Amerikaanse publicist Douglas Rushkoff een 'groot denker' noemen, zoals wijlen drugsgoeroe Timothy Leary een paar jaar geleden deed, is betrekkelijk overdreven. Het is zelfs far out, om in hun beider hippe jargon te blijven. Akkoord, de 36-jarige Rushkoff heeft drie goedgebekte boeken geschreven over de zegeningen van het digitale tijdperk. Daarin trekt hij de filosofische zevenmijlslaarzen aan die in internet-kringen wel vaker grif van de hand gaan, en voorspelt hij dat de mensheid zappend en surfend een volgende stap zal nemen in de evolutie, de Amerikanen voorop natuurlijk. Maar hem daarom een 'groot denker' noemen, zoals ook weer gebeurt op de achterflap van zijn jongste boek The Ecstasy Club, is zoiets als Mickey Mouse uitroepen tot 'koning van de jungle'. Amusant, maar belachelijk.

Rushkoff heeft die morele steun in de rug mischien nodig, want sinds hij de lieveling is geworden van de mainstream pers, beginnen zijn immer opgewekte cyberboeken her en der ook irritatie op te roepen. Hij ligt onder vuur van rechtse critici (die zijn voorspellingen van een wereld vol prettig gestoorde media-freaks geloven, maar afkeuren), maar tot zijn eigen schrik óók van geestverwanten uit de linkse underground (die zijn wensdromen delen, maar hem een te gelikte reclamemaker vinden). Debet aan die linkse kritiek zijn vooral Rushkoffs omnipresentie in de media en zijn frequente uitstapjes naar het bedrijfsleven. De cyber-zendeling bleek, ondanks zijn kennis van chaostheorie en quantum-fysica, een ouderwetse wet van de markt eventjes te zijn vergeten: onbeperkte beschikbaarheid verlaagt de waarde van het product.

Nu is er dan alweer The Ecstasy Club, Rushkoffs romandebuut over de opkomst en ondergang van een cyberdelische commune in San Francisco halverwege de jaren negentig. Het boek heeft op het eerste gezicht alle elementen van een eigentijds twintigersportret: psychedelische drugs, internet, virtual reality, New Age en bizarre complottheorieën. Het sluit bovendien aan bij de golf jeugdboeken die door de Britse en Amerikaanse uitgeverij rolt na het succes van Irvine Welsh' junkie-roman Trainspotting (1993). Rushkoffs verhaal draait om een groepje dropouts, aangevoerd door een veteraan van de Britse house-scene, die in een oude pianofabriek een sekte beginnen voor feesten en drugs-experimenten. Allengs verzuren de verhoudingen, volgens het bekende patroon: de leider ontpopt zich als een megalomane tiran, de sekteleden gaan tenonder aan drugs, paranoia en hersenbeschadiging. De verteller, Zach Levi, kiest temidden van alle gekte opgelucht voor het echte leven: huisje, boompje, beestje. En voelt zich daar prima bij.

Al na een pagina of tien wordt duidelijk dat Rushkoff geen roman heeft willen schrijven, maar een slapstick. Het plot hangt aan elkaar van de absurditeiten, de personages zijn stripfiguren van het type dat gelukzalig glimlachend onder een rotsblok vandaan kruipt en gewoon doorloopt. Een sektelid trekt met een nijptang de tanden uit zijn mond, omdat hij ervan overtuigd is dat de overheid er een zendertje wil implanteren. Timothy Leary - de man die Rushkoff een groot denker noemde - krijgt een vilein gastrolletje als joviale drugsgoeroe die tegen betaling opdraaft in jongerenclubs. Rushkoff heeft, met andere woorden, vermoedelijk voor de cyberdelische subcultuur willen doen wat Cyra McFadden met The Serial deed voor het Californië van de jaren zeventig en Tom Wolfe met The Bonfire of the Vanities voor het New York van de jaren tachtig. Daar is hij niet in geslaagd. Zelfs bij lange na niet. Heel soms is Rushkoffs proza geestig (een stinkende hacker heet met een politiek correct eufemisme 'hygienically challenged'), maar zijn boek verliest al snel elke scherpte, en wordt afgeraffeld naar een absurd hoogtepunt. Bovendien trapt de auteur in talloze beginnersvallen, waaronder natuurlijk: de seks-sce. Zijn eindeloze beschrijving van een orgie (waar de zaken worden afgehandeld 'in haar bereidwillige mond') is zo slecht, dat je hoopt en bidt dat de vrijgezel Rushkoff bij een eventuele tweede poging toch in ieder geval verlóófd zal zijn.

Gaandeweg bekruipt je ten slotte het onaangename gevoel dat de allemansvriend Rushkoff met dit boek niet eens heeft willen moraliseren over de uitwassen van de cyber-underground, of ertegen heeft willen waarschuwen - zoals Amerikaanse recensenten al gewichtig hebben opgemerkt. Het lijkt er eerder op dat hij gewoon eens for the hell of it zijn scepsis de vrije loop heeft willen laten over het cyber-evangelie dat hij elders volmondig uitdraagt. Zoals een copywriter voor Centerparcs 's avonds hinnikend van het lachen een persiflage tikt op het vakantieplezier dat hij in kantooruren de hemel inprijst. Erg integer is dat niet, voor een zendeling, maar voor een copywriter maakt het natuurlijk niet uit. Laat staan voor een tekenfilm-muis.