Mauritshuis kreeg omstreden hulp bij koop Rembrandt

AMSTERDAM, 27 MAART. Het laatste Zelfportret van Rembrandt uit het Mauritshuis blijkt kort na de oorlog een belangrijke rol te hebben gespeeld in de affaire-Katz, waarbij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) en haar directeur A.B. de Vries in opspraak kwamen. De SNK was verantwoordelijk voor recuperatie van door Duitsers geroofde kunst en voor teruggave aan de eigenaren.

De Vries had in 1947 tientallen schilderijen laten teruggeven aan de gebroeders Benjamin en Nathan Katz, hoewel hij wist dat hun claim onrechtmatig was. In hetzelfde jaar 1947 werd de Vries door Nathan Katz geholpen bij de aankoop van Rembrandts Zelfportret voor het Mauritshuis, waarvan De Vries eveneens directeur was. Bij het gerechtelijk vooronderzoek naar de affaire-Katz, dat in 1948 na de arrestatie van De Vries werd ingesteld, werd dit belastende gegeven door De Vries consequent verzwegen, zoals nu blijkt uit archiefonderzoek van NRC Handelsblad.

Het gerechtelijk onderzoek duurde drie jaar. Hoewel De Vries verschillende van de hem ten laste gelegde feiten bekende, werd hij in 1951 buiten vervolging gesteld 'wegens onvoldoende aanwijzing van schuld'. De Vries gaf tijdens de verhoren wel toe dat hij bevriend was met de Katzen, maar die vriendschap was juist een reden geweest om hun claim te vertrouwen. Dat De Vries Nathan Katz in 1947 nodig had als geldschieter voor de aanschaf van de Rembrandt, kwam niet aan het licht.

Over het verloop van het onderzoek is nooit iets bekend geworden. In 1951, toen het onderzoek was afgerond, achtte de minister van Justitie het raadzaam niets in de openbaarheid te brengen uit angst dat de Nederlandse kunstrecuperatie in het buitenland in gevaar zou komen. Hierdoor kwam ook nooit naar buiten dat door toedoen van De Vries schilderijen werden gerecupereerd die niet uit Nederland afkomstig waren, zoals bij het onderzoek bleek.

Uit de nu geraadpleegde procesverbalen komt een beeld naar voren van de chaos die destijds bij de SNK heerste. Zo werden schilderijen die door joodse Nederlanders geclaimd waren door de SNK verkocht of aan musea gegeven. Volgens een van de getuigen mochten de medewerkers niet praten over de Goudstikker-collectie omdat er anders van die collectie 'niets zou overblijven voor de musea'.

Pagina 23,24 FRAUDES BIJ SNK