Kolonisatie zet druk op Amazonegebied

De aanhoudende bosbranden in het Amazonegebied worden voor een belangrijk deel veroorzaakt door een stroom kolonisten, die door grondgebrek elders in het land hun heil zoeken in het oerwoud.

ROTTERDAM, 27 MAART. De bosbranden die sinds half januari het Amazonegebied teisteren, zijn meer dan alleen een natuurramp. Niet alleen de droogte, veroorzaakt door het weerfenomeen El Niño, is de achterliggende oorzaak van de oerwoudbranden, maar vooral ook de aanhoudende kolonisatie. Deze is het gevolg van een van de grootste sociale problemen van Brazilië: de ongelijke verdeling van landbouwgrond.

Hoewel de grond in het Amazonegebied niet erg geschikt is voor landbouw, zijn in de afgelopen decennia honderdduizenden kolonisten naar het gebied getrokken. Ze zijn afkomstig uit deelstaten die onderbevolkt zijn en over veel betere landbouwgronden beschikken dan het Amazonegebied.

Deze goede grond is voor het overgrote deel in handen van een zeer kleine groep grootgrondbezitters. Landgoederen ter grootte van een Nederlandse provincie zijn geen uitzondering. “In Brazilië geldt de traditie dat wie land heeft, ook iemand is”, aldus Frans Fontaine, conservator Zuid-Amerika van het Tropeninstituut in Amsterdam.

Dat veel van deze grond nauwelijks productief is doet daarbij niet ter zake. In Brazilië is grond, vooral grasland, een belangrijk beleggingsobject. “Extensieve landbouw (weinig koeien op veel grond red.) is voor de grootgrondbezitters ideaal omdat op deze manier grote stukken land zonder veel kosten kunnen worden onderhouden.”

Tegenover deze rijkdom van een kleine groep staat de armoede van miljoenen landloze boeren. Sinds het herstel van de democratie in 1985 is hun situatie enigzins verbeterd, vooral door de oprichting van de Landlozenbeweging. Deze organiseert bezettingen van braakliggende gronden, vaak gesteund door de katholieke kerk, en bracht het landlozenprobleem op de politieke agenda.

De bewustwording van de landlozen heeft echter ook gezorgd voor een aanscherping van het conflict. Leiders van de landlozenbeweging, hun advocaten en priesters die de beweging ondersteunen, worden regelmatig het dodelijke slachtoffer van pistoleiros in dienst van grootgrondbezitters. “De rechterlijke macht en de grootgrondbezitters dekken elkaar. Een grootgrondbezitter kan perfect eigendomspapieren regelen, ook als de grond niet van hem is. En anders gebruikt hij geweld”, aldus Fontaine. De grootgrondbezitters hebben zich georganiseerd in de machtige Vereniging van veeboeren.

Het Amazonegebied wordt het slachtoffer van deze sociale spanningen. Om het netelige punt van landhervormingen te omzeilen, zijn in het verleden grote stukken grond in het Amazonegebied uitgegeven onder het motto: land zonder man, voor man zonder land.

Naast deze officiële migratie, stromen veel landlozen op eigen initiatief naar het wilde westen van Brazilië, het Amazonegebied. Ze beginnen daar aan wat Fontaine omschrijft als “een tocht van niets naar nergens”. Ze proberen aan de armoede te ontsnappen door een stuk grond in bezit te nemen. Ze 'maken het schoon', waarbij het hout wordt verkocht.

Na een paar jaar als akker te zijn gebruikt raakt de grond uitgeput en wordt ze opgekocht door grote veeboeren, waardoor ook in de nieuw ontgonnen gebieden de ongelijke verdeling van land ontstaat die de druk op de rest van het Amazonegebied verder opvoert. Veel kolonisten eindigen in de sloppenwijken van de snelgroeiende steden in het Amazone-gebied, zoals Manaus, Belém en Rio Branco.

Ook de droogte in het gebied is voor een deel mensenwerk. Het kappen van open plekken en het aanleggen van wegen maken het woud toegankelijk voor zon en wind.

“Uitgekapt bos is na 15 dagen zonder regen al brandgevaarlijk”, aldus dr.ir. De Graaf, docent bosbouw aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Het afvalhout dat achterblijft wordt in een gesloten regenwoud snel verteerd door schimmels en bacteriën, maar vormt in een opengekapt bos voedsel voor bosbranden.

Fontaine wijst daarnaast op de theorie dat de vergaande ontbossing in het westen van de Amazone de regenval in het hele gebied vermindert. Het regenwater dat het oerwoud nat houdt is grotendeels afkomstig uit de Atlantische Oceaan en wordt door de oostenwinden aangevoerd via herhaalde cycli van regen en verdamping.

De directe oorzaak van de brand is het zogenaamde slash-and-burn-principe, waarmee een stuk savanne of oerwoud wordt afgebrand om de grond bouwrijp en vruchtbaar te maken.

In tegenstelling tot de indianen nemen de kolonisten geen maatregelen om overslaan naar het oerwoud te voorkomen met alle gevolgen van dien als door uitblijven van regen het oerwoud, dat normaal te nat is om te branden, uitdroogt.

De branden die nu woeden komen niet iedereen ongelegen. Door de relatief hoge prijs van grasland is het platbranden van stukken oerwoud lucratief. “Grond wordt door ontbossing al gauw tien keer zoveel waard”, aldus De Graaf. “De Braziliaanse wet beschermt diegene die het bos rooit, niet de eigenaar die het bos laat staan. Voor veel mensen is het een meevaller dat het zo droog is en er een stuk bos afbrandt.” Gevreesd wordt dan ook dat het nu door brand verwoeste gebied ten prooi zal vallen aan verdere kolonisatie.