Jan Kuijten over opkomst en ondergang automatiseerder; 'Faillissement van HCS was niet nodig geweest'

Heeft oprichter Jan Kuijten van het automatiseringsbedrijf HCS ook moeten betalen om zijn aandeel in het HCS-bankroet in 1992 af te kopen? Vanochtend publiceerden de curatoren van HCS hun eindrapport over het debacle. Na negen jaar doorbreekt Kuijten het stilzwijgen. Over schuld en boete.

ROTTERDAM, 27 MAART. Zeven jaar heeft het automatiseringsbedrijf HCS Technology op de Amsterdamse effectenbeurs bestaan, zes jaar deden de curatoren van HCS erover om helderheid te geven over de oorzaken van de ondergang in 1992. En over de schuldvraag.

“Zes jaar heeft het geduuurd. Dat kán toch gewoon niet. Dit had na twee jaar ook gekund. Slordig.” Negen jaar na zijn afscheid als commissaris van HCS (in 1989) doorbreekt Jan Kuijten, oprichter, ex-president en ex-grootaandeelhouder van het bedrijf zijn stilzwijgen. De schaker wil schoon schip maken.

HCS was een van de exponenten van de 'wilde' jaren tachtig in het Nederlandse bedrijfsleven. Tijden waarin de woorden automatisering en high tech in gouden bergen veranderden, beurskoersen alleen maar omhoog gingen en fusies, overnames en financiële hoogstandjes aan de orde van de dag waren.

Kuijten bundelde talrijke bedrijfjes in de automatisering tot HCS, ging in 1986 naar de Amsterdamse effectenbeurs en verdiende daaraan alles bij elkaar zo'n 250 miljoen gulden. De ex-McKinsey consultant was toen al een succesvol privé-financier, onder meer van computerbouwer Tulip. Het financiële establishment leek soms totaal gespleten. Voor hem. Of tegen. Zijn gewiekstheid, zijn twisten en zijn zwijgzaamheid werkten op de media als een rode lap op een stier.

In 1990 verkocht hij zijn laatste aandelenpakket, in 1991, toen HCS in financiële nood zat, werd zijn aanbod voor een kapitaalinjectie om HCS te redden afgewezen. Drie puissant rijke grootaandeelhouders verzorgden met de banken hun eigen reddingsoperatie. Die bleek onvoldoende. Een tweede reddingsactie volgde. Tevergeefs. Kuijten:“Het is als een tanker met een groot gat in de boeg. Op de werf wordt het gat gedicht. En binnen een jaar is het de Titanic.”

In 1992 volgde faillissement en konden de curatoren aan de slag. Zij moeten tot drie jaar voor het bankroet nagaan of falend management een oorzaak was voor de ondergang. Als zij daarvoor bewijs vinden, volgen gepeperde schadeclaims, doorgaans voor het hele bedrag van het tekort in de boedel. De meeste managers en commissarissen zijn daarvoor overigens verzekerd.

Wie waren verantwoordelijk voor het gat van vele honderden miljoenen guldens bij HCS? De managers? De commissarissen? Had accountant KPMG zijn werk niet voldoende gedaan?

“Het enige dat de curatoren interesseerde, was Kuijten”, zegt de HCS-oprichter. En Kuijten wilde een ding: eerherstel. Niet nog een keer in de media de zwarte piet krijgen. Hij is tevreden met de strekking van het rapport dat de curatoren vanochtend hebben gepubliceerd, zo vertelt hij.

Alleen jammer dat sommige zinsneden in het rapport zo algemeen en zo anoniem zijn. Zo lijkt het alsof hij een van de betrokkenen is geweest die geld in de boedel heeft gestort. Diep weggestopt in een bijlage staat pas dat hij al weg was toen het misging bij HCS. Nee, hij heeft niets betaald in de boedel. Zijn investeringsmaatschappij Reiss & Co niet. Ook zijn verzekeraar niet.

Om dat duidelijk te maken doorbreekt hij zijn zwijgen. En hij geeft er nog een medemenselijk tintje aan. “Ik ben ondernemer. Ik doe mijn dingen wel. Het ergste is het voor mensen die nog aan hun carrière werken en jaren achtervolgd worden door de nasleep van het faillissement.” Dat vrienden hem de laatste jaren verwelkomen met 'Ha Jan, nog niet achter de tralies?', dat kan hij wel van ze hebben.

In hun rapport constateren de curatoren dat HCS ten onder is gegaan aan twee grote buitenlandse overnames, in Amerika en Europa, die wel gereorganiseerd moesten worden maar die niet goed waren gefinancierd. Gevolg: te veel bankschuld, te veel rentekosten. “Het is ruig hoor”, zegt Kuijten terwijl hij een grafiek aanwijst met stijl stijgende rentelasten. Hij becijfert de buitenlandse verliezen op 274 miljoen gulden. Dat was na 1989, toen hij al was vertrokken als directeur en ook als commissaris.

Ten behoeve van zijn verdediging tegenover de curatoren heeft Kuijten de opkomst en ondergang van HCS gereconstrueerd. Een weerwoord van 70 pagina's. “Ik ben de enige met de stamina, het geld en de tijd om dat allemaal uit te zoeken.” Plus twee topadvocaten, waaronder mr. H. Ophof, zelf een vermaard curator (Ogem). Kuijten wordt niet graag getruct, zoals hij dat zelf noemt. De curatoren kunnen gerust zijn. Voor een schadeclaim wegens te late rapportage hoeven zij niet bang te zijn. “Zo wil ik mijn geld niet verdienen. Ik denk dat de heren voldoende kritiek van vakgenoten krijgen.”

Met terugwerkende kracht krijgt hij zelfs gelijk. Zijn reddingsactie in 1991 zou HCS een “significant betere balans- en liquiditeitspositie” hebben opgeleverd, zeggen de curatoren, dan de kapitaalinjectie van de troika beleggers J. van den Nieuwenhuyzen (industrieconcern Begemann), E. Albada Jelgersma (Unigro supermarkten) en L. Melchior (bouwtycoon in ruste), waarmee vooral bankkredieten werden afgelost.

Noch op hun rol, noch op die van de banken onder leiding van bestuurslid R. Groenink van ABN Amro wil Kuijten commentaar geven. Het oordeel van de curatoren over het reddingsplan van Kuijten is heel wat gunstiger dan het beeld dat in 1991 onder de HCS-beleggers bestond. Kuijten gaat er van door met de parel van HCS, het Europese bedrijf Infotec. Houdt de dief. Zo was de sfeer op een rumoerige marathonvergadering van aandeelhouders in het Amsterdamse Sonesta Hotel. “Iedereen zag dollartekens in mijn ogen” zegt Kuijten. Hij deed het niet alleen om het geld (“ik stak een substantieel deel van mijn vermogen weer in HCS, het was een heel gewaagd reddingsplan”) maar ook om “zijn kind”. Iets bouwen als HCS, dat zat er niet nog een keer in.

En nu wij het toch over HCS hebben. Kuijten duikt nog een keer in het verleden: de controversiële verkoop in 1988 van het bedrijf Microlife door zijn eigen investeringsmaatschappij Reiss aan HCS. Hij zou 60 miljoen, ja zelfs 70 miljoen in eigen zak hebben gestoken. Accountantskantoor KPMG heeft voor hem de zaak nagerekend, voordat de curatoren erover zouden beginnen. Het was een miljoen of negen. Totale aankoopprijs: 121.258.661 gulden. Verkoopprijs: 130 miljoen. Een rendement van nog geen zeven procent, minder dan een staatslening toen opleverde. “Ik had de schijn tegen”, zegt hij nu. “De emoties onderschat. Ik weet niet waarom ik vuur trek.”

Het HCS bankroet had niet gehoeven, is zijn overtuiging. Bijna alle dochters bestaan nog, enkele hebben zelfs beursplannen. Hij somt een hele rij namen op. “En winstgevend.”

En hijzelf? Over zijn vermogen wil hij niet praten. “Als een van de weinige” heeft hij geld verdiend aan HCS, erkent hij. Zijn belangen zijn gespreid. Wat op de effectenbeurs, wat onroerend goed, hij zit in het bedrijf Computer Company, en heeft geld op deposito. Dat geeft een laag rendement, maar het is wel zo zeker. “Typerend voor een rustige en bezadigde investeerder.”