Het durend raadsel van de buis

'Heel, héél lang geleden...,' zegt oma. Ze leest haar kleinzoontje voor. Het kind zit stokstijf van spanning rechtop in zijn bedje. Het zou een ouderwets familietafreel kunnen zijn maar dat is het niet. Oma zit om de hoek in de gang, met een videocamera op zich gericht, en aan het voeteneind van kleinzoon staat de televisie. Het is een cartoon van Stefan Verwey, uit de Volkskrant van 4 november 1995.

De moderne werkelijkheid in haar wezen ontmaskerd: het nieuwe kleinkind herkent een voorlezende oma alleen in deze kwaliteit als hij haar op de televisie ziet. Pas dan weet hij zichzelf als een naar zijn oma luisterend kleinkind. Er is nog zo'n getekende voorstelling, veertig jaar ouder, uit de eerste periode van de televisie als gevestigd massamedium. Het is een reclame van de Britse mineraalwaterfabrikant Schweppes, ontworpen door Stephen Potter, getekend door Loudon Sainthill. Een man heeft het plan, in zijn tuin naar een vogel op een boomtak te gaan kijken. Maar eerst, zegt hij tegen zichzelf, moet ik een televisiefilm van mijzelf laten maken, waarop ik naar een vogel op een boomtak kijk. En als ik naar die film kijk, zal ik naar een vogel op een boomtak hebben gekeken. De tekst verklaart: na de Cromagnon, de Neandertahler, en de Neonderthaler is de TVmens verschenen: de mens met zijn nieuwe capaciteit, waardoor hij tot niets in staat is, tenzij er een televisie in de buurt is waarop hij kan zien dat hij tot iets in staat is.

Dit is, dunkt mij, het eigenschap van de televisie die het meest heeft verrast: dat degene die erop verschijnt, een extra aan zijn persoon toevoegt. Het is een wereldlijke vorm van heiligheid: de bekendheid. Die bestaat dan weer in allerlei gradaties: van de voorbijgangers op straat die kans zien, zwaaiend in beeld te komen terwijl er iemand anders wordt gefilmd, tot de mondiale icoon, de topheilige van de bekendheid. Al die mensen zijn in bepaalde mate aangapenswaardig, aanrakingswaardig geworden.

Een halve eeuw geleden heerste onder optimisten de verwachting dat de combinatie van camera en beeldscherm ontmaskerend zou werken. Wie niets te vertellen had, of wie stond te liegen, zou 'door de genadeloosheid van het medium' door de mand vallen. De televisie zou behalve een opvoedkundige, een volksverheffende ook een zuiverende werking hebben. Dat is in ieder geval de grootste vergissing geweest. De afgelopen halve eeuw hebben zich meer praatjesmakers en leugenaars aan het volk getoond dan in de hele voorgaande wereldgeschiedenis. Maar dit heeft niet tot een massale zuivering of de val van de betrokkenen geleid. Ongeacht het morele gehalte van hun daden zijn ze bekend geworden. Ze hebben de genade van de extra-werkelijkheid ontvangen. Dat geldt voor de filmster, de schrijver en de paus zo goed als voor de seriemoordenaar.

Het is de vraag of dit een nadeel is. De onzekerheid over het antwoord houdt verband met de tweede eigenschap: dat iedereen altijd onbeperkt over de televisie kan praten, ook zonder er verstand van te hebben. Wat dit aangaat is de televisie beter dan het weer. Alle mensen leren in de loop van hun leven, in zekere mate verstand te hebben van het weer. Er schieten me een paar zinnetjes van Du Perron tebinnen. 'De meester tegen de klas: Na regen komt? De klas: Zonneschijn! De meester: En na zonneschijn? De klas: Regen!' Dit vat het samen. De televisie biedt veel meer verscheidenheid dan het weer, weinigen hebben er werkelijk verstand van, maar wel heeft iedereen er dagelijks mee te maken, en zo komen we niet uitgepraat.

Dat is niet vergeefs. Het is een onvervreemdbaar bestanddeel van het dagelijks leven in de hele wereld geworden, en alleen al daardoor is 'vergeefs' een benaming die niet meer van toepassing is.

Gelukkig daarom dat er weer een boek is verschenen waarin de materie door meer schrijvers op veel manieren, vaak parlando, is behandeld: Het scherm der verbeelding, onder redactie van Maarten Doorman en Michael Zeeman, met bijdragen van oa. Frits Abrahams, Jan Blokker, Martin Bril en nog vijf gekwalificeerde schrijvers. Daarbij komt in Vrij Nederland van deze week een interessant vraaggesprek van Coen Verbraak met Mies Bouwman. Daarover had ik deze week mijn stukje willen schrijven, maar het is enigszins een andere kant opgegaan. Daarom volgende week. Hier alleen de conclusie van Jan Blokker: 'Ooit bestond er een cultuurmonopolie van een welgestelde bovenlaag. Dat is door de televisie niet doorbroken. De televisie heeft ervoor gezorgd dat iedereen die dit wil er maling aan kan hebben.'