Het diamanten web

“Ik stapte uit de donkere, naar te vaak gebruikte lucht ruikende gang in het licht en ik was gered. Zo simpel was het. Ik was verloren geweest, maar nu was ik gered.” Roel Bentz van den Berg ontdekte in Los Angeles een voor hem tot dan toe onbekend meesterwerk van David Hockney van water, lucht en licht.

Het was vroeg in de avond, laat in de zomer, aan het eind van de straat stond de nacht als een gebergte afgetekend tegen de horizon. Iemand schraapte zijn keel, kuchte, hoestte en iemand anders vroeg wat nou - niet nadenken, direct antwoorden - het mooiste beeldende kunstwerk was dat ik ooit had gezien en ik zei: het zwembad van het Hollywood Roosevelt Hotel in Los Angeles. Say what? Niet de Guernica, niet de Sixtijnse kapel, niet de Mona Lisa, Rembrandt, Titiaan, zelfs niet Vermeer, de lichtmeester?

Nu geef ik toe, er is meer en ander moois en niet nadenken is niet altijd een garantie dat je de waarheid spreekt - zeker niet de absolute waarheid, die waar je leven van afhangt, want die ligt meestal vlak onder of náást de gewone, waar je hem per ongeluk expres samen mee in een verkeerde la hebt opgeborgen. Maar in mijn top tien van esthetische ervaringen staat het door David Hockney beschilderde zwembad van het Roosevelt Hotel in Hollywood zeker. Zeker.

De eerste keer dat ik het zag was eigenlijk niet zozeer de eerste als wel de nulde keer - in die zin dat ik zelfs van het bestaan ervan geen weet had voordat ik het met mijn eigen ogen aanschouwde. De meeste grote kunstwerken 'kende' je al, als het niet van afbeeldingen is dan toch van horen zeggen - uit beschrijvingen op grond waarvan je je al een voorstelling hebt kunnen maken. Zoals je zelfs bij een blind date, op grond van een stem aan de telefoon, het handschrift op een envelop of een typering door een wederzijdse kennis al met een soort signalement in je kop van huis gaat. Toch spreek je later, wanneer de ontmoeting een schot in de roos is gebleken, vol overtuiging van 'liefde op het eerste gezicht'. In het geval van mijn zwembad-openbaring in het Hollywood Roosevelt was er van een blind date echter geen sprake. Geen 'date' en niet blind. Ik wist niet dát ik iets ging zien, laat staan wát ik ging zien - maar zien deed ik des te meer. Als een gek. Alsof het een zintuig betrof waarvoor het voedsel elk moment op kon raken. Een en al oog was ik.

Voorkennis was er dus niet in het spel, wel een geschiedenis. Een meervoudig gecompliceerde geschiedenis, zelfs. Een netwerk van ervaringen met als knooppunt het Hollywood Roosevelt in L.A. Om te beginnen had ik, voordat ik twee dagen eerder Los Angeles was komen binnenrijden, een barre autorit van zo'n vierduizend kilometer dwars door Amerika achter de rug. Een tocht die bedoeld was geweest als vertraagde, oneindig vertraagde invulling van een jongensdroom, maar die door diverse tegenslag steeds meer nachtmerrie-achtige trekken was gaan vertonen. Dat was één. Twee waren alle Amerikaanse films die ik in het echt en, op de maat van muziek en ademloze taal, alleen in mijn hoofd had gezien, samengebundeld tot een lichtstraal met de kracht van de ster van Bethlehem. Bethlehem, USA. En drie was er één uit de - niet nadenken, direct antwoorden - top tien van gelukkigste momenten in de categorie 'algemeen': achttien jaar terug, rond half vijf s middags, clandestien en aangeschoten in een zwembad bij een huis op Mallorca; en dan heb ik het weer over het licht, over de zon die daar als een gouden bowlingbal van de steile berghelling in het bleekgroene water kwam rollen.

Er is ook nog een vier, maar die kwam pas een paar jaar later, toen ik min of meer bij toeval de zogeheten 'Boeddha-kamer' binnenliep in het museum van het Zuidoost-Azië Instituut van de Universiteit van Leiden en prompt omver werd geblazen door de verzamelde kracht van de vijf Boeddha-beelden in die kamer. Alsof ik een deur had geopend waarachter een enorme brand woedde. Iemand had mij wel eens mogen waarschuwen.

Het zwembad

Ook mijn gids in Los Angeles, een Nederlandse fotograaf met lange benen en zoomlenzen in zijn ogen, had het nergens over gehad, toen hij mij midden op Hollywood Boulevard plotseling dwars door het hectische verkeer meetrok naar de andere kant van de straat, de donkere lobby van een groot hotel binnen, een aantal met groene lopers beklede gangen door, om tenslotte halt te houden voor een dubbele deur van grijs metaal die er imposant uitzag maar al bij de eerste aanraking verrassend soepel openzwaaide. En daarachter lag het zwembad: buiten, in de stilte, omringd door palmbomen, planten, bloemen, rieten ligstoelen en afgesloten van de rest van de wereld door twee verdiepingen hotelkamers. Ik stapte vanuit de donkere, naar te vaak gebruikte lucht ruikende gang in het licht en ik was gered. Zo simpel was het. Ik was verloren geweest, maar nu was ik gered. Ik had gerookt, gedronken, op gezette tijden de hoochiecoo gedanst en zou daar vast en zeker zolang ik kon mee door willen blijven gaan, maar niettemin: ik was gered. Simpelweg omdat ik nu wist dat deze plek bestond. Een plek die zei: het is in orde. Het licht hier, het licht in jou, in iedereen, kijk dan, een en hetzelfde. Zoiets. Ik heb het uit betrouwbare bron en het is in orde.

Dat zei die plek, of beter gezegd: dat hoorde ik, voelde ik, toen ik - er was verder niemand, mijn gids was bij de dubbele deur blijven staan - behoedzaam de grote saffieren rechthoek van het zwembad naderde. Pas toen ik op de rand stond zag ik dat de turquoise schimmen die net even boven het wateroppervlak in een fonkelende sluierdans verwikkeld waren, reflecties waren van een groot aantal blauwe cirkels die op de bodem van het bad waren geschilderd. Door David Hockney, zoals ik later vernam.

In het druilerige Engeland, waar Hockney vandaan kwam, was het water altijd troebel geweest en de kleur afhankelijk van die van de lucht. Maar in zuidelijk California, waar woestijn oceaan ontmoet, zijn zon en licht en lucht drie aspecten van hetzelfde element - zoals dat in het transparante water van een zwembad wordt weerspiegeld in flakkerende patronen waar alle kleuren van het spectrum bij betrokken zijn. Hij was begonnen met het schilderen van hele reeksen zwembad-scènes, al dan niet met zwoele bijmotieven, maar zijn meesterstuk was een co-productie met zon, licht en water zelf. Wat dit 'schilderij' van Hockney tot zo'n openbaring maakt, is dat hij erin geslaagd is te laten zien dat de werkelijke aard der dingen iets-in-drieën is: het object zelf, zijn schaduw en, als derde zijn reflectie - als schaduw niet op de grond maar direct in het licht, in de geest, als je wilt. Vergelijk het met het moment dat je 's zomers een meeuw langs de zee ziet lopen en het water zijn poten omspoelt, zodat hij opeens driedubbel aanwezig is, die meeuw. In zijn veren, in zijn schaduw, en weerspiegeld in het water.

Een paar dagen na mijn bezoek aan het Hollywood Roosevelt zat ik in het vliegtuig dat mij terug moest brengen naar Europa, naar huis. Tijdens het opstijgen en de bocht die het vliegtuig nog eenmaal boven Los Angeles beschreef zag ik onder mij, uitgespreid over de heuvels en dalen en oplichtend in de avondzon, het diamanten web dat alle zwembaden daar beneden met elkaar vormen, en ik moest denken aan een verhaal van de schrijver John Cheever, The Swimmer, zoals dat ooit verfilmd is met Burt Lancaster in de hoofdrol.

Daarin besluit een man, in precies zo'n uitgestrekt Amerikaans woonlandschap als op dat moment onder mij wegzonk, die op een zondagmiddag op bezoek is geweest bij vrienden, om de acht mijl naar zijn huis zwemmend af te leggen. De privé-zwembaden van zijn kennissen uit de buurt beschouwt hij daarbij als plaatsen waar een grote onderaardse rivier telkens even aan de oppervlakte komt.

Het begin is glorieus, de zwemmer voelt zich een held, een ontdekkingsreiziger, een mythische figuur, ver boven iedereen verheven, terwijl hij over de gazons rent en van het ene zwembad in het andere plonst. Naarmate hij vordert begint het tij echter te keren. Het is verder dan hij dacht, hij wordt moe, gaat zich oud voelen en waar hij aanvankelijk overal met enthousiasme werd begroet, vangt hij nu geruchten op over de financiële verliezen die hij zou hebben geleden en dat er iets mis is met zijn kinderen.

Het breekpunt is het moment dat hij een grote weg moet oversteken en de voorbijrazende automobilisten zich vrolijk maken over die man die daar in zijn zwembroek met zijn blote voeten tussen de weggegooide blikjes, vuile papieren zakdoekjes en sigarettenpeuken in de brandende zon staat. Als hij er eindelijk in geslaagd is de weg over te steken, komt hij terecht in een lawaaierig, naar chloor stinkend openbaar zwembad, waar hij wordt belaagd door een 'bommetje' spelende meute en tenslotte door een badmeester uit het water gestuurd wordt, omdat hij geen plaatje draagt. Zijn vroegere maîtresse, wier zwembad ook op zijn route ligt, wil niets meer met hem te maken hebben, op een tuinfeest bij zijn directe buren wordt hij beschimpt door mensen die altijd naar hem opgezien hadden, en wanneer hij eindelijk, totaal uitgeput, zijn huis bereikt, blijkt dat op slot te zijn en donker en leeg. Hij bonst op de deur, schreeuwt door de brievenbus, maar er komt niemand.

Dát (dacht ik hoog in de lucht) is dus het gevaar als je te lang in het water blijft.